Hof wijst beroep op NEDC1-uitstoot referentievoertuig af bij BPM-naheffing
ECLI:NL:GHDHA:2026:2061, Gerechtshof Den Haag, 02-06-2026, BK-25/537
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Naheffingsaanslag bpm. Artikel 9, lid 11, Wet bpm. Bijlage II, deel B, behorend bij Richtlijn 2007/46/EG. Soortgelijkheid referentievoertuigen. Vaststelling CO2-uitstoot aan de hand van de WLTP-testmethode.
Kern van de zaak
Een belanghebbende betwist een BPM-naheffingsaanslag en beroept zich op de lagere NEDC1-uitstoot (134 g/km) van referentievoertuigen met een ander typegoedkeuringsnummer, stellende dat zijn voertuig technisch identiek is aan die referentievoertuigen en de hogere BPM-druk daardoor in strijd is met artikel 110 VWEU.
Beslissing van de rechter
De Rechtbank verklaarde het beroep gegrond en verlaagde de naheffingsaanslag van de oorspronkelijke hoogte naar € 3.991, met toekenning van immateriële schadevergoeding. Het Gerechtshof Den Haag behandelt het hoger beroep; de uitkomst van de hogerberoepsprocedure is op basis van de beschikbare tekst niet volledig kenbaar, maar de Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Impactscore
MiddelDe zaak is een individueel fiscaal geschil over BPM dat nauw aansluit bij een bredere lopende jurisprudentielijn; de uitkomst van het hoger beroep is nog onzeker en de definitieve rechtsontwikkeling hangt af van de Hoge Raad. De impact is daardoor middelmatig op zichzelf, maar de rechtsvraag raakt een grote groep belastingplichtigen.
Belangrijkste punten
- 1Belanghebbende beroept zich op de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 26 april 2024 (ECLI:NL:HR:2024:653) voor toepassing van de NEDC1-uitstoot van referentievoertuigen.
- 2Het verschil in volgnummer van de EG-typegoedkeuring (*12 vs. *05) staat volgens belanghebbende niet in de weg aan gelijksoortigheid, omdat technisch identieke auto's door administratieve wijzigingen een andere typegoedkeuring kunnen hebben.
- 3Belanghebbende verzoekt aanhouding in afwachting van nadere prejudiciële vragen van Hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2025:1252) ter duiding van de eerdere Hoge Raad-beslissing.
- 4De Inspecteur stelt dat slechts in specifieke gevallen een beroep op het uitstootgetal van een referentievoertuig kan slagen, conform de prejudiciële beslissing.
- 5De Rechtbank kende naast vermindering van de naheffingsaanslag ook immateriële schadevergoeding toe (€ 167 van de Staat en € 1.833 van de Inspecteur) wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak raakt aan de lopende jurisprudentielijn over de toepasselijkheid van NEDC1-uitstootwaarden van referentievoertuigen bij BPM-heffing in het licht van artikel 110 VWEU en de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 26 april 2024. De uitkomst van het hoger beroep is afhankelijk van de nadere duiding die de Hoge Raad geeft op de prejudiciële vragen van Hof Amsterdam.
Praktische impact
Importeurs en belastingplichtigen die gebruikte personenauto's invoeren en BPM-naheffingen betwisten op basis van een lagere uitstoot van referentievoertuigen, ondervinden rechtsonzekerheid zolang de Hoge Raad de aanvullende prejudiciële vragen niet heeft beantwoord. De mogelijke gelijkstelling van technisch identieke voertuigen met verschillende typegoedkeuringnummers is voor de praktijk van groot belang.
Onderwerp-impact
In de autobranche en bij BPM-geschillen is de vraag of een ander typegoedkeuringsnummer doorslaggevend is voor de uitstootclassificatie cruciaal, omdat dit direct de hoogte van de verschuldigde BPM bepaalt bij invoer van gebruikte voertuigen.
Samenvatting
In deze belastingzaak voor het Gerechtshof Den Haag staat een naheffingsaanslag BPM centraal. De belanghebbende heeft een gebruikte personenauto ingevoerd en betwist de opgelegde naheffing door te stellen dat zijn voertuig gelijksoortig is aan referentievoertuigen waarvoor een lagere NEDC1-uitstoot van 134 g/km geldt. Die lagere uitstoot zou, zo betoogt hij, moeten leiden tot een lagere BPM-grondslag, en het opleggen van een hogere BPM is in strijd met artikel 110 VWEU, dat discriminerende binnenlandse belastingen op producten uit andere lidstaten verbiedt. De juridische kern van het geschil is of een voertuig met een ander volgnummer in de EG-typegoedkeuring (*12 in plaats van *05) toch als gelijksoortig aan de referentievoertuigen kan worden aangemerkt, zodat de bijbehorende lagere uitstootwaarde van toepassing is. Belanghebbende baseert zich daarvoor op de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 26 april 2024 (ECLI:NL:HR:2024:653) en verwijst naar technische gegevens waaruit zou blijken dat de voertuigen op essentiële punten conform bijlage II, deel B van Richtlijn 2007/46/EG identiek zijn. Tevens verzoekt hij aanhouding in afwachting van de beantwoording door de Hoge Raad van nadere prejudiciële vragen die Hof Amsterdam heeft gesteld ter verdere duiding van die eerdere beslissing. De Rechtbank had het beroep al gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd tot € 3.991, alsmede immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Inspecteur concludeert in hoger beroep tot bevestiging van de rechtbankuitspraak. De volledige hogerberoepsbeslissing is op basis van de beschikbare tekst niet volledig kenbaar; de zaak illustreert de voortdurende rechtsonzekerheid in BPM-zaken omtrent de vergelijkbaarheid van voertuigen met verschillende typegoedkeuringen.