BPM-naheffing verminderd na taxatierapportgeschil bij RDW-keuring
ECLI:NL:GHDHA:2026:2060, Gerechtshof Den Haag, 02-06-2026, BK-25/536
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Naheffingsaanslag bpm. Bruikbaarheid taxatierapport. Waardevermindering wegens schade niet aannemelijk gemaakt. Koerslijst XRAY kan niet dienen ter onderbouwing van de handelsinkoopwaarde van de auto.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (importeur/aangever) betwist een naheffingsaanslag BPM. De Inspecteur stelt dat het taxatierapport niet geldig is omdat het na de RDW-keuring is opgemaakt en de aankoopfactuur ontbreekt. De zaak betreft de vraag welke afschrijvingsmethode moet worden toegepast bij de BPM-aangifte.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep betreft een bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank, waarbij de naheffingsaanslag BPM is verminderd tot € 6.630. De Rechtbank verklaarde het beroep gegrond omdat de Inspecteur niet had verzocht de auto te tonen via DRZ, maar direct een naheffingsaanslag oplegde op basis van aangifte en taxatierapport.
Impactscore
MiddelDe uitspraak is relevant voor de BPM-praktijk en verduidelijkt de procedurele vereisten rond taxatie en toonplicht, maar heeft een beperkte reikwijdte omdat het een toepassing betreft van bestaande regelgeving op specifieke feiten, zonder fundamentele nieuwe rechtsvragen te beslechten.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 8 lid 4 sub b Uitvoeringsregeling BPM 1992 vereist dat fysieke opname door de taxateur plaatsvindt uiterlijk één maand vóór het afschrijvingsmoment (datum afronding RDW-inschrijvingsonderzoek).
- 2Een taxatierapport opgemaakt ná de RDW-keuring voldoet in beginsel niet aan de formele vereisten van de Uitvoeringsregeling BPM.
- 3De Inspecteur heeft nagelaten gebruik te maken van zijn bevoegdheid om de aangever te verplichten het voertuig te tonen bij DRZ, alvorens een naheffingsaanslag op te leggen.
- 4Bij een kennelijk onjuiste aangifte wordt de afschrijving vastgesteld aan de hand van de wettelijke tabel, maar dit vereiste werd door de rechter kritisch beoordeeld.
- 5Zowel immateriële schadevergoeding (totaal € 1.000) als proceskosten (€ 3.108) en griffierecht (€ 184) zijn toegewezen ten laste van de Inspecteur/Staat.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat de Inspecteur niet zonder meer de tabelafschrijving mag toepassen als hij twijfelt aan de aangifte, maar eerst de procedurele weg van de toonplicht bij DRZ dient te bewandelen. De formele vereisten van de Uitvoeringsregeling BPM inzake het tijdstip van taxatie worden strikt uitgelegd.
Praktische impact
Importeurs en BPM-aangevers moeten er zorg voor dragen dat een taxateur het voertuig físiek opneemt binnen één maand vóór de RDW-keuring; een taxatie ná de keuring volstaat niet. De Inspecteur dient bij twijfel eerst de toonprocedure bij DRZ te benutten voordat hij een naheffingsaanslag oplegt.
Onderwerp-impact
Voor de automotive-importbranche en BPM-adviseurs benadrukt deze uitspraak het belang van tijdige en procedureel correcte taxaties; een fout in de timing kan leiden tot verwerping van het taxatierapport en toepassing van de (veelal ongunstiger) tabelafschrijving.
Samenvatting
In deze belastingzaak voor het Gerechtshof Den Haag staat een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) centraal. De belastingplichtige — vermoedelijk een particuliere importeur — deed aangifte BPM met onderbouwing via een taxatierapport, maar de Inspecteur weigerde dit rapport te accepteren omdat de fysieke opname door de taxateur had plaatsgevonden ná de afronding van het RDW-inschrijvingsonderzoek. Bovendien ontbrak de aankoopfactuur bij de aangifte. Op grond hiervan kwalificeerde de Inspecteur de aangifte als kennelijk onjuist en stelde de afschrijving vast aan de hand van de wettelijke tabel, wat resulteerde in een hogere naheffingsaanslag. De juridische kernvraag was of het taxatierapport kon worden gevolgd en of de Inspecteur terecht de tabelafschrijving had toegepast. Artikel 8 lid 4 sub b van de Uitvoeringsregeling BPM 1992 bepaalt sinds 1 januari 2022 expliciet dat de fysieke opname door de taxateur moet plaatsvinden uiterlijk één maand vóór het afschrijvingsmoment, zijnde de datum waarop het RDW-inschrijvingsonderzoek wordt afgerond. Het Hof leidt uit de toelichting af dat deze regeling erop is gericht de staat van het voertuig op het relevante fiscale moment vast te stellen. Cruciale overweging is dat de Inspecteur géén gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de aangever te verplichten het voertuig te tonen bij DRZ, maar rechtstreeks een naheffingsaanslag heeft opgelegd. De Rechtbank oordeelde het beroep gegrond en vernietigde de uitspraak op bezwaar. De naheffingsaanslag werd verminderd tot € 6.630. Daarnaast werd immateriële schadevergoeding toegekend (totaal € 1.000, verdeeld over de Staat en de Inspecteur), alsmede een proceskostenveroordeling van € 3.108 en vergoeding van het griffierecht van € 184. Het Hof buigt zich in hoger beroep over de vraag of de Rechtbank terecht heeft beslist; de volledige motivering van het Hof is in de aangeleverde tekst slechts gedeeltelijk weergegeven.