Hof vermindert APV-aanslag: stichtingsvermogen deels anders toegerekend
ECLI:NL:GHDHA:2026:2038, Gerechtshof Den Haag, 23-06-2026, BK-25/752 en BK-25/753
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Art. 2.14a Wet IB 2001. APV. Familiestichting. Na verwijzing HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1389. Of sprake is van een individuele en buitensporige last kan na verwijzing niet meer worden getoetst. Beroep op redelijke wetsuitleg, verbod op willekeur en détournement de pouvoir, rechtszekerheidsbeginsel en evenredigheidsbeginsel verworpen. Box 3-berekening cf. ambtshalve verminderingen n.a.v. het Kerstarrest.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (eiseres) ontving navorderingsaanslagen IB/PVV over 2018 en 2019, waarbij de Belastingdienst het vermogen van een stichting - opgericht in 1907 - aan haar toerekte als afgezonderd particulier vermogen (APV). Eiseres bestreed deze kwalificatie en beriep zich onder meer op het evenredigheidsbeginsel, het willekeurverbod en détournement de pouvoir, stellend dat de stichting een zuiver sociaal en ideëel doel had zonder enige misbruikintentie.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Den Haag vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond en vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 en de aanslag IB/PVV 2019 tot lagere bedragen, waarbij de bezittingen van de stichting niet (volledig) in de grondslag voor sparen en beleggen worden meegenomen. De belastingrentebeschikking wordt verminderd tot nihil. De doorslaggevende reden is dat de bij de aanslagregeling toegerekende bezittingen van de stichting niet in de berekening van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen mogen worden betrokken op de wijze waarop de Belastingdienst dat had gedaan.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past bestaande APV-jurisprudentie toe zonder nieuwe rechtsregels te stellen, maar biedt relevante verduidelijking over de grenzen van de grondslagevaluatie box 3 bij stichtingsvermogen van vóór de invoering van de APV-wetgeving.
Belangrijkste punten
- 1De stichting kwalificeert als APV op grond van artikel 2.14a Wet IB 2001; of sprake is van misbruik of belastingontwijking is voor deze kwalificatie irrelevant.
- 2Toetsing aan het evenredigheidsbeginsel (art. 3:4 lid 2 Awb) is niet aan de orde omdat verweerder geen beoordelingsvrijheid heeft bij de wettelijke APV-kwalificatie.
- 3Evenredigheidstoetsing in bredere zin kan slechts leiden tot buiten werking laten van de regeling in uitzonderlijke situaties die de wetgever niet voor ogen heeft gehad; daarvan is hier geen sprake.
- 4Er is geen sprake van materieel terugwerkende kracht nu de (navorderings)aanslagen betrekking hebben op perioden ná inwerkingtreding van de APV-wetgeving.
- 5Het hof vermindert desondanks de aanslagen doordat de bezittingen van de stichting buiten beschouwing blijven bij de berekening van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat de APV-regeling een 'robuust' karakter heeft waarbij de aanwezigheid van misbruik geen vereiste is voor toepassing, maar nuanceert de feitelijke toerekening van stichtingsvermogen aan de begunstigde bij de grondslag sparen en beleggen.
Praktische impact
Eiseres profiteert van lagere belastingaanslagen over 2018 en 2019 en een nihilstelling van de belastingrente; tegelijkertijd staat vast dat de stichting als APV wordt aangemerkt en zij als erfgenaam/begunstigde belastingplichtig blijft.
Onderwerp-impact
Voor vermogensbeherende stichtingen die als APV worden aangemerkt, verduidelijkt deze uitspraak dat een ideëel of sociaal doel niet aan APV-kwalificatie in de weg staat, maar dat de feitelijke grondslag voor box 3 nauwkeurig moet worden vastgesteld.
Samenvatting
Deze zaak draait om de vraag of het vermogen van een in 1907 opgerichte stichting terecht door de Belastingdienst is toegerekend aan de belastingplichtige (eiseres) als afgezonderd particulier vermogen (APV) in de zin van artikel 2.14a Wet IB 2001, en of de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 en de aanslag IB/PVV 2019 in stand konden blijven. Eiseres betoogde dat de stichting uitsluitend een sociaal en ideëel doel diende, dat er geen sprake was van belastingmisbruik, en dat toepassing van de APV-regeling in strijd was met het evenredigheidsbeginsel, het willekeurverbod en het verbod van détournement de pouvoir. Tevens stelde zij dat de regeling materieel terugwerkende kracht had door het in 1907 afzonderen van vermogen te belasten. Het Gerechtshof Den Haag verwerpt deze gronden ten aanzien van de APV-kwalificatie. De APV-wetgeving heeft als doel een heffingslek op robuuste wijze te dichten, zonder dat de aanwezigheid van misbruik een toepassingsvoorwaarde vormt. Nu verweerder geen beoordelingsvrijheid toekomt bij de wettelijke kwalificatie, is er geen ruimte voor evenredigheidstoetsing ex artikel 3:4 lid 2 Awb. Toetsing in bredere zin is slechts mogelijk bij uitzonderlijke gevallen die de wetgever niet kon voorzien, hetgeen zich hier niet voordoet. Van materieel terugwerkende kracht is evenmin sprake, omdat de belastingheffing eerst plaatsvond ná invoering van de wetgeving. Desondanks vernietigt het hof de uitspraak van de rechtbank en vermindert het de aanslagen. De bezittingen van de stichting worden niet meegenomen in de grondslag voor het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen zoals de Belastingdienst dat had berekend. De navorderingsaanslag 2018 wordt verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.660 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 156.931. De belastingrentebeschikking wordt verminderd tot nihil. De uitspraak bevestigt de reikwijdte van de APV-regeling maar corrigeert de feitelijke grondslagevaluatie.