BPM-naheffing terecht opgelegd aan kentekenhouder bestelauto
ECLI:NL:GHDHA:2026:1936, Gerechtshof Den Haag, 17-02-2026, BK-25/458
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Naheffing bpm. Belastingplichtige. Ombouw bedrijfsauto. Beroep op beleid afgewezen.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (belanghebbende) betwist een BPM-naheffingsaanslag, stellende dat het voertuig ten tijde van registratie niet voldeed aan de inrichtingseisen voor een bestelauto en dat de BPM niet van hem geheven mocht worden. De zaak betreft de vraag wie belastingplichtig is voor de BPM bij registratie van een bestelauto in het kentekenregister in 2018.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond verklaard; het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover betrekking hebbend op de naheffing. De doorslaggevende reden is dat op grond van artikel 5 lid 1 Wet BPM 1992 de BPM wordt geheven van degene op wiens naam het motorrijtuig in het kentekenregister is gesteld, ongeacht wie de kentekenregistratie heeft aangevraagd.
Impactscore
LaagDe uitspraak past de bestaande wettelijke regeling en vaste rechtspraak toe zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de impact is beperkt tot bevestiging van een bekende rechtsregel in een individueel belastinggeschil.
Belangrijkste punten
- 1Belastingplicht voor BPM rust op degene op wiens naam het voertuig in het kentekenregister staat, niet op de aanvrager van het kenteken (art. 5 lid 1 Wet BPM 1992).
- 2Belanghebbende heeft zijn stelling dat het voertuig niet voldeed aan inrichtingseisen voor een bestelauto niet onderbouwd; de RDW heeft het voertuig als bestelauto gekeurd en aangemerkt.
- 3De verzuimboete is in eerste aanleg vernietigd en staat niet meer ter discussie in hoger beroep.
- 4Het beroep op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn faalt, omdat de procedure in hoger beroep minder dan twee jaar heeft geduurd.
- 5Het Hof sluit aan bij de overwegingen van de Rechtbank (r.o. 7 t/m 16) en maakt deze tot de zijne; in hoger beroep zijn geen nieuwe argumenten aangevoerd die tot een ander oordeel leiden.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste uitleg van artikel 5 lid 1 Wet BPM 1992: bij registratie in het kentekenregister is uitsluitend de tenaamgestelde belastingplichtig, ongeacht wie de registratie heeft aangevraagd. Dit biedt duidelijkheid over het aanknopingspunt voor BPM-belastingplicht.
Praktische impact
Voor houders van op hun naam gestelde voertuigen in het kentekenregister betekent dit dat zij niet kunnen ontkomen aan BPM-plicht door te stellen dat een ander de registratie heeft aangevraagd. Zij dienen zelf zorg te dragen voor correcte tenaamstelling om onverwachte belastingaanslagen te voorkomen.
Onderwerp-impact
In de transportsector en bij bedrijfswagenbezitters benadrukt deze uitspraak het belang van correcte kentekenregistratie en naleving van inrichtingseisen voor bestelauto's om naheffingen van BPM te vermijden.
Samenvatting
In deze belastingzaak voor het Gerechtshof Den Haag stond de vraag centraal of een naheffingsaanslag BPM terecht was opgelegd aan een belastingplichtige op wiens naam een bestelauto in het kentekenregister was geregistreerd. Belanghebbende betoogde dat het voertuig ten tijde van de registratie niet voldeed aan de inrichtingseisen voor een bestelauto en dat de BPM zou moeten worden nageheven van degene die de kentekenregistratie had aangevraagd, niet van hemzelf als tenaamgestelde. De Inspecteur betwistte dit standpunt en wees op de keuring door de RDW, die het voertuig als bestelauto had aangemerkt. Het Hof verwerpt het betoog van belanghebbende. Op grond van artikel 5 lid 1 Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, zoals die in 2018 luidde, wordt de BPM geheven van degene op wiens naam het motorrijtuig in het kentekenregister is gesteld. Nu niet in geschil is dat het voertuig op naam van belanghebbende stond, is hij terecht als belastingplichtige aangemerkt. De identiteit van de aanvrager van het kenteken is voor de belastingplicht niet relevant. Daarnaast heeft belanghebbende zijn stelling over de inrichtingseisen niet onderbouwd, anders dan door te verwijzen naar een uitspraak in een andere zaak, hetgeen onvoldoende is. Het Hof bekrachtigt de uitspraak van de Rechtbank en sluit voor de overige standpunten aan bij haar overwegingen. De verzuimboete was al in eerste aanleg vernietigd. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen, nu de hogerberoepsprocedure minder dan twee jaar heeft geduurd. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak bevestigt de duidelijke wettelijke grondslag voor BPM-belastingplicht bij tenaamstelling in het kentekenregister.