Beroep betalingsonmacht griffierecht toegewezen ondanks onjuist toetsingskader
ECLI:NL:GHDHA:2026:1588, Gerechtshof Den Haag, 23-04-2026, BK-24/1016
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Art. 7:15, 8:42 en 8:109 Awb. Art. 2, lid 1, onderdeel a, Bpb. Geen schending art. 8:42 Awb, omdat stukken over beschikkingen dwangbevelkosten niet van belang zijn voor de beslechting van het geschil. De Invorderingsambtenaar heeft terecht wegingsfactor factor 0,25 (zeer licht) toegepast bij de vaststelling van de kostenvergoeding ter zake van gegronde bezwaren tegen beschikkingen dwangbevelkosten voor betaling aanslagen lokale heffingen waarvoor uitstel van betaling gold. Beroep op betalingsonmacht griffierecht toegewezen vanwege specifieke omstandigheden van het geval.
Kern van de zaak
Belanghebbende tekende hoger beroep aan tegen een uitspraak inzake beschikkingen dwangbevelkosten van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland. Zij deed een beroep op betalingsonmacht voor het griffierecht. Tevens stelde zij dat de Invorderingsambtenaar artikel 8:42 Awb had geschonden door niet alle relevante stukken in te dienen.
Beslissing van de rechter
Het Hof wijst het beroep op betalingsonmacht griffierecht toe, ondanks dat bij juiste toetsing het verzoek zou zijn afgewezen, omdat de griffier een onjuist toetsingskader hanteerde en belanghebbende ter zitting geen gelegenheid meer had dit te herstellen. Het beroep op schending van artikel 8:42 Awb wordt verworpen, omdat de gevraagde stukken niet als op de zaak betrekking hebbend kwalificeren.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een procesrechtelijke beslissing in een individuele belastinginvorderingszaak zonder principiële nieuwe rechtsregels; de toepassing van artikel 8:42 Awb en de betalingsonmachtregeling volgen bestaande kaders en zijn sterk feitelijk bepaald.
Belangrijkste punten
- 1Griffier hanteerde onjuist toetsingskader bij beoordeling betalingsonmacht; bij juiste toetsing zou verzoek zijn afgewezen.
- 2Het Hof stelt het rechtszekerheids- en verdedigingsbeginsel boven proceseconomie: toewijzing gerechtvaardigd nu belanghebbende ter zitting verrast werd.
- 3Artikel 8:42 Awb-klacht verworpen: stukken over beweerde onrechtmatige incassopraktijken vallen buiten het geschil, nu de beschikkingen dwangbevelkosten al vernietigd zijn.
- 4De omvang van de op de zaak betrekking hebbende stukken wordt bepaald door het feitelijke geschilpunt, niet door bredere verwijten over de invorderingspraktijk.
- 5Cassatieberoep staat open binnen zes weken na verzending van de uitspraak.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat een voorlopige toewijzing van betalingsonmacht door de griffier op basis van een onjuist toetsingskader onder bijzondere omstandigheden in stand kan blijven als het verdedigingsbeginsel dat vereist. Voorts bevestigt het Hof een strikte uitleg van het begrip 'op de zaak betrekking hebbende stukken' ex artikel 8:42 Awb.
Praktische impact
Belastingplichtigen die een beroep doen op betalingsonmacht worden beschermd als de rechter hen pas ter zitting informeert over een onjuist gehanteerd toetsingskader. De Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland hoeft geen aanvullende stukken over haar incassopraktijk over te leggen zolang de onrechtmatigheid van de beschikkingen zelf niet in geschil is.
Onderwerp-impact
Voor overheden en belastingsamenwerkingsverbanden benadrukt deze uitspraak dat het indienensvereiste van stukken ex artikel 8:42 Awb strikt zaakgericht is en niet strekt tot algemene informatieverstrekking over beleid of praktijk.
Samenvatting
In deze hoger beroepsprocedure bij het Gerechtshof Den Haag staat centraal de vraag of het beroep op betalingsonmacht van het griffierecht terecht is toegewezen en of de Invorderingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland artikel 8:42 Awb heeft geschonden door niet alle relevante stukken in te dienen. De zaak betreft beschikkingen dwangbevelkosten die reeds in bezwaar zijn vernietigd; het resterende geschil ziet op procesrechtelijke kwesties rondom die procedure. Met betrekking tot de betalingsonmacht stelt het Hof vast dat de griffier bij de voorlopige toewijzing een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. Bij toepassing van het juiste kader had het verzoek moeten worden afgewezen. Omdat het Hof belanghebbende echter pas ter zitting hierover heeft geïnformeerd, had zij geen redelijke gelegenheid meer om haar verzoek met nadere stukken te onderbouwen. Het Hof weegt proceseconomische overwegingen tegen het verdedigingsbeginsel af en concludeert dat schorsing van de zitting niet gewenst is, maar dat het onder deze bijzondere omstandigheden gerechtvaardigd is het beroep op betalingsonmacht toch toe te wijzen. Dit oordeel is sterk situatiegebonden en gebaseerd op de specifieke procesgang. Ten aanzien van de gestelde schending van artikel 8:42 Awb oordeelt het Hof dat de door belanghebbende verlangde stukken — waaruit zou blijken dat de Belastingsamenwerking bewust onrechtmatig incassomaatregelen neemt — niet behoren tot de op de zaak betrekking hebbende stukken. Nu de beschikkingen dwangbevelkosten reeds zijn vernietigd, vormt de beweerde onrechtmatigheid van het incassobeleid geen onderdeel van het huidige geschil. Het Hof hanteert daarmee een strikte, zaakgerichte uitleg van de overleggingsverplichting. De uitspraak is voor cassatie vatbaar binnen zes weken.