JurispRadar
ECLI:NL:GHDHA:2026:1584Laag18/100

Ziektekosten erflaatster niet aftrekbaar wegens onvoldoende bewijs

ECLI:NL:GHDHA:2026:1584, Gerechtshof Den Haag, 09-04-2026, BK-25/4

Gerechtshof Den HaagUitspraak: 9 april 2026Publicatie: 8 mei 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BK-25/4
Belastingrecht
Zorg
Financiele Dienstverlening
Bewijslast
Buitengewone Uitgaven
Ziektekosten
Erflaatster
Aftrekpost

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Art. 6.1 en art. 6.7 Wet IB 2001. Uitgaven wegens ziekte of invaliditeit in verband met vervoer komen niet voor aftrek in aanmerking

Kern van de zaak

Belanghebbenden (erfgenamen) maakten in hoger beroep aanspraak op aftrek van ziektekosten/buitengewone uitgaven in de aangifte van de erflaatster. De Inspecteur weigerde de aftrek. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbenden in hoger beroep gingen bij Gerechtshof Den Haag.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank is bevestigd. Doorslaggevend was dat belanghebbenden niet aannemelijk hebben gemaakt dat de gestelde uitgaven op de erflaatster hebben gedrukt, rechtstreeks het gevolg waren van ziekte of invaliditeit, en de drempeleis overschreden ten opzichte van een vergelijkbare gezonde belastingplichtige.

18van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak past bestaande belastingrechtelijke regels toe zonder nieuwe rechtsnormen te stellen en is sterk feitelijk van aard; de juridische betekenis reikt niet verder dan de betrokken partijen.

Belangrijkste punten

  • 1Aftrek van buitengewone uitgaven wegens ziekte/invaliditeit vereist bewijs op drie cumulatieve punten: druk, causaliteit en drempeloverschrijding.
  • 2Belanghebbenden slaagden er niet in aannemelijk te maken dat aan deze drie vereisten was voldaan.
  • 3In hoger beroep zijn geen nieuwe feiten, omstandigheden of argumenten aangedragen die een ander licht op de zaak werpen.
  • 4Het Hof past de herkansingsfunctie van hoger beroep toe maar komt tot dezelfde conclusie als de Rechtbank.
  • 5Geen proceskostenveroordeling omdat het hoger beroep ongegrond is.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de strenge bewijslast bij de aftrek van buitengewone uitgaven wegens ziekte in de inkomstenbelasting/erfbelastingcontext: alle drie de wettelijke vereisten (druk, causaliteit, drempeloverschrijding) moeten door de belastingplichtige aannemelijk worden gemaakt. De uitspraak is in lijn met bestaande jurisprudentie en stelt geen nieuwe rechtsregels.

Praktische impact

Voor erfgenamen die ziektekosten van de erflaatster fiscaal willen aftrekken, benadrukt deze uitspraak het belang van adequate documentatie en bewijs ter onderbouwing van alle wettelijke vereisten. Zonder concrete onderbouwing wordt aftrek geweigerd.

Onderwerp-impact

In zorggerelateerde fiscale geschillen onderstreept dit vonnis dat enkel het bestaan van ziekte of invaliditeit onvoldoende is; de financiële last en het bovengemiddelde karakter van de uitgaven moeten eveneens concreet worden aangetoond.

Samenvatting

In deze belastingzaak voor Gerechtshof Den Haag stond de vraag centraal of erfgenamen recht hadden op aftrek van buitengewone uitgaven wegens ziekte of invaliditeit in de aangifte van hun erflaatster. De Inspecteur had de aftrek geweigerd, waarna de Rechtbank het beroep van de belanghebbenden ongegrond verklaarde. In hoger beroep beoordeelde het Hof de zaak opnieuw met inachtneming van de zogeheten herkansingsfunctie die partijen in hoger beroep toekomt. Voor een succesvolle aftrek van buitengewone uitgaven wegens ziekte dienen drie cumulatieve voorwaarden te zijn vervuld: de uitgaven moeten op de belastingplichtige zelf hebben gedrukt, ze moeten rechtstreeks het gevolg zijn van ziekte of invaliditeit, en ze moeten de uitgaven overstijgen die een vergelijkbare, niet-zieke belastingplichtige zou hebben gedaan. Het Hof oordeelde dat de Rechtbank op goede gronden heeft vastgesteld dat de belanghebbenden aan geen van deze drie vereisten hebben voldaan. Zij zijn er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de gestelde uitgaven daadwerkelijk op de erflaatster hebben gedrukt, dat er een rechtstreeks causaal verband bestond met haar ziekte of invaliditeit, en dat de uitgaven de relevante drempel overschreden. Daarnaast constateerde het Hof dat de belanghebbenden in hoger beroep geen nieuwe feiten, omstandigheden of argumenten hebben aangedragen die een zodanig nieuw of ander licht werpen op de geschilpunten dat de beslissing van de Rechtbank niet in stand zou kunnen blijven. Het hoger beroep werd dan ook ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. Het Hof zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak illustreert de zware bewijslast die op belastingplichtigen rust bij het geldend maken van aftrekposten voor buitengewone uitgaven.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 28 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1289Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1289, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/02999

Hoge Raad17 jul 2026OverheidHandhaving
72/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1296Richtinggevend
Bestuursrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1296, Hoge Raad, 17-07-2026, 23/03413

Hoge Raad17 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
72/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1305Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1305, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/01917

Hoge Raad17 jul 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1244Hoog
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1244, Hoge Raad, 17-07-2026, 24/02706

Hoge Raad17 jul 2026OverheidHandhaving
58/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Rechtsgebieden