Verzoek voorlopige voorziening belastingdossier afgewezen door Hof
ECLI:NL:GHAMS:2026:2874, Gerechtshof Amsterdam, 24-09-2026, 26/683 t/m 26/688
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Verzoek voorlopige voorziening; artikel 8:42 Awb
Kern van de zaak
Belastingplichtige mr. [X] heeft in hoger beroep een verzoek tot voorlopige voorziening ingediend bij Gerechtshof Amsterdam. Hij wil de inspecteur van de Belastingdienst verplichten alle op de zaak betrekking hebbende stukken (art. 8:42 Awb) over te leggen, een inventarislijst te verstrekken of de stukken ongewijzigd te bewaren. De zaak betreft navorderings- en naheffingsaanslagen IB/PVV, Zvw en omzetbelasting over 2016-2018.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Amsterdam wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af. Doorslaggevend is dat het Hof de inspecteur reeds tijdens de behandeling heeft verzocht de relevante stukken te overleggen voor zover deze nog niet in het dossier van de bodemprocedure zijn opgenomen, waarmee aan de kern van het verzoek tegemoet is gekomen via de reguliere bodemprocedure.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een procedurele tussenbeslissing in een individuele belastingzaak; er worden geen nieuwe rechtsregels gesteld en de beslissing heeft beperkte precedentwerking buiten de specifieke omstandigheden van dit geval.
Belangrijkste punten
- 1Verzoek ex art. 8:81 Awb strekt tot overlegging of bewaring van op zaak betrekking hebbende stukken ex art. 8:42 Awb
- 2Hof heeft inspecteur zelf al verzocht ontbrekende stukken aan te leveren voor de bodemprocedure (BK-AMS 26/220 e.v.)
- 3Voorlopige voorziening wordt afgewezen; spoedeisend belang ontbreekt nu het Hof de stukkeninbreng via de bodemprocedure kan afdwingen
- 4Zaak betreft navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2016, aanslagen 2017, naheffingen OB 2017-2018 én een verzuimboete
- 5De uitspraak is mondeling gedaan op de voet van art. 8:84 lid 1 Awb
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een verzoek tot voorlopige voorziening gericht op overlegging van belastingdossiers niet slaagt wanneer het Hof de stukkeninbreng al via de bodemprocedure kan bewerkstelligen. Het spoedeisend belang als vereiste voor art. 8:81 Awb ontbreekt in dat geval.
Praktische impact
Voor belastingplichtige mr. [X] betekent de afwijzing dat hij geen aparte rechterlijke last verkrijgt om stukken af te dwingen; hij zal via de bodemprocedure moeten wachten op de volledige stukkeninbreng door de inspecteur.
Onderwerp-impact
In belastingzaken met navorderings- en naheffingsaanslagen onderstreept dit dat de kortgedingachtige route van art. 8:81 Awb weinig meerwaarde heeft voor stukkengeschillen die de bodemprocedure al adequaat kan oplossen.
Samenvatting
In deze belastingzaak heeft Gerechtshof Amsterdam op 24 september 2026 mondeling uitspraak gedaan op een verzoek tot voorlopige voorziening (art. 8:81 Awb) van belastingplichtige mr. [X]. De zaak speelt in het kader van hoger beroep tegen uitspraken van Rechtbank Noord-Holland van 19 december 2025, waarbij het gaat om navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw over 2016, aanslagen IB/PVV en Zvw over 2017, naheffingsaanslagen omzetbelasting over 2017 en 2018, bijbehorende belastingrente en een verzuimboete bij de aanslag IB/PVV 2017. Belanghebbende verzocht de voorzieningenrechter de inspecteur van de Belastingdienst te gelasten alle op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van art. 8:42 Awb over te leggen, subsidiair een chronologische inventarislijst van die stukken te verstrekken, dan wel de stukken ongewijzigd te bewaren. De juridische vraag was of er voldoende spoedeisend belang bestond om via een voorlopige voorziening in te grijpen in de stukkenoverlegging, los van de lopende bodemprocedure. Het Hof wijst het verzoek af. De doorslaggevende reden is dat het Hof zelf, tijdens de behandeling van het voorlopige-voorzieningverzoek, de inspecteur al heeft verzocht de ontbrekende stukken in te dienen voor de bodemprocedure (BK-AMS 26/220 e.v.). Daarmee is aan de kern van het verzoek al tegemoetgekomen via de geëigende procesrechtelijke weg, zodat een afzonderlijke voorlopige voorziening geen zelfstandig doel meer dient. Het spoedeisend belang dat voor toewijzing van een art. 8:81 Awb-verzoek vereist is, ontbreekt aldus. De uitspraak heeft beperkte precedentwerking: zij bevestigt het bekende principe dat een voorlopige voorziening geen substituut is voor de bodemprocedure wanneer die procedure zelf al de gewenste stukkenoverlegging kan afdwingen. Voor belanghebbende betekent dit dat hij de verdere behandeling van zijn fiscale geschil moet afwachten in de bodemprocedure.