Immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding redelijke termijn
ECLI:NL:GHAMS:2026:2839, Gerechtshof Amsterdam, 22-09-2026, 25/105 tot en met 25/109
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Wijze van procederen en indienen stukken; stuk te laat ingediend en tardief verklaard; wrakingsverzoek wordt niet aan de wrakingskamer van het Hof voorgelegd.
Kern van de zaak
Belanghebbende [X] heeft bezwaar ingediend bij de heffingsambtenaar op 25 mei 2022. Na ongegrondverklaring van het beroep door de rechtbank verzocht zij om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor behandeling van haar belastingzaak.
Beslissing van de rechter
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, maar kent wel een immateriële schadevergoeding toe van in totaal € 1.000 wegens een termijnoverschrijding van zeven maanden. De heffingsambtenaar betaalt € 428,57 en de Staat € 571,43, naar rato van de aan hen toerekenbare overschrijding.
Impactscore
LaagDe uitspraak past uitsluitend vaste jurisprudentie toe op een individueel geval en stelt geen nieuwe rechtsregels. De financiële belangen zijn beperkt en de rechtsvragen zijn uitgekristalliseerd.
Belangrijkste punten
- 1Redelijke termijn voor bezwaar en beroep gezamenlijk bedraagt twee jaar, waarvan zes maanden voor bezwaar en anderhalf jaar voor beroep (conform HR-overzichtsarrest 19 februari 2016)
- 2De redelijke termijn is overschreden met afgerond zeven maanden, wat recht geeft op € 1.000 schadevergoeding (€ 500 per halfjaar)
- 3De verdeling tussen heffingsambtenaar en Staat geschiedt naar rato van de aan elk toerekenbare overschrijding (3/7 resp. 4/7)
- 4Op grond van een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid hoeft de Staat niet afzonderlijk in de gelegenheid te worden gesteld te reageren op het verzoek om schadevergoeding
- 5Naast de schadevergoeding worden ook proceskosten en griffierecht vergoed, verdeeld over heffingsambtenaar (€ 346,56) en Staat (€ 346,57)
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad inzake redelijke termijn en immateriële schadevergoeding toe op een belastingzaak, zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden. De verdeling van de vergoedingsplicht tussen bestuursorgaan en Staat naar rato van de overschrijding bevestigt de bestaande praktijk.
Praktische impact
Belanghebbende [X] ontvangt in totaal € 1.000 aan immateriële schadevergoeding en ruim € 693 aan proceskostenvergoeding, ondanks het ongegrond verklaren van haar inhoudelijke beroep. De heffingsambtenaar en de Staat dienen elk hun aandeel afzonderlijk uit te betalen.
Onderwerp-impact
In belastingzaken waarbij de behandelduur de redelijke termijn overschrijdt, blijft de burger recht houden op immateriële schadevergoeding, ook als het inhoudelijke beroep wordt verworpen. Dit bevestigt de beschermende werking van het recht op berechting binnen een redelijke termijn.
Samenvatting
In deze belastingzaak heeft Gerechtshof Amsterdam de uitspraak van de rechtbank beoordeeld waarbij het beroep van belanghebbende [X] ongegrond was verklaard, maar waarbij wel een immateriële schadevergoeding was toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift was op 25 mei 2022 ingediend bij de heffingsambtenaar. De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn van twee jaar voor de gecombineerde behandeling van bezwaar en beroep met afgerond zeven maanden was overschreden. Op basis van de vaste norm van € 500 per (afgerond) halfjaar overschrijding, zoals neergelegd in het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, werd een totale vergoeding van € 1.000 toegekend. De verdeling van deze vergoeding geschiedde naar rato van de aan de respectieve instanties toerekenbare overschrijding: de heffingsambtenaar werd veroordeeld tot betaling van € 428,57 (3/7 van de totale overschrijding) en de Staat tot € 571,43 (4/7). Daarnaast werden aan beide partijen proceskosten- en griffierechtvergoedingen opgelegd van elk circa € 346. Hoewel de Staat als partij in het geding werd aangemerkt, bepaalt een beleidsregel van de Minister van Justitie en Veiligheid dat de Staat niet afzonderlijk in de gelegenheid gesteld hoeft te worden te reageren op het schadevergoedingsverzoek. De uitspraak bevat geen nieuwe rechtsvragen; zij is een routinematige toepassing van de gevestigde jurisprudentie over overschrijding van de redelijke termijn in belastingzaken. De zaak illustreert dat een ongegrond beroep op inhoudelijke gronden de aanspraak op compensatie voor termijnoverschrijding onverlet laat, wat de zelfstandige betekenis van het recht op berechting binnen een redelijke termijn onderstreept.