Bewijslast WOZ-waarde ligt primair bij heffingsambtenaar
ECLI:NL:GHAMS:2026:2748, Gerechtshof Amsterdam, 08-09-2026, 26/311
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)WOZ 2019 niet-woning. Kinderdagverblijf. Gecorrigeerde vervangingswaarde. Na verwijzing door Hoge Raad zijn alleen de restwaarden nog in geschil. Heffingsambtenaar maakt restwaarden aannemelijk met taxatierapport met drie vergelijkingsobjecten, waarvan er één is verkocht vrij van huur en gebruik en na verkoop voor andere doeleinden is aangewend.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (belanghebbende) betwist de vastgestelde WOZ-waarde van een onroerende zaak, specifiek de restwaardes van ruwbouw, afbouw en installaties bij de gecorrigeerde vervangingswaarde. In geschil is bij wie de bewijslast ligt wanneer de heffingsambtenaar heeft aangesloten bij een taxatierapport (bedrijf 3) en belanghebbende daarvan afwijkt.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep wordt behandeld waarbij het hof oordeelt dat de bewijslast voor de WOZ-waarde, ook bij gecorrigeerde vervangingswaarde en technische veroudering, in eerste instantie op de heffingsambtenaar rust. Echter, op grond van het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:234) geldt een uitzondering die een redelijke verdeling van de stelplicht en bewijslast meebrengt; de uitkomst van de bodemprocedure was ongegrond voor de belastingplichtige, met toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past bestaande en recente Hoge Raad-jurisprudentie toe op een concreet WOZ-geschil zonder zelf nieuwe rechtsregels te formuleren; de impact is beperkt tot verduidelijking van bewijslastverdeling in vergelijkbare zaken over gecorrigeerde vervangingswaarde.
Belangrijkste punten
- 1De bewijslast voor de WOZ-waarde rust in eerste instantie altijd op de heffingsambtenaar, ook bij gecorrigeerde vervangingswaarde (HR 14 oktober 2005 en HR 23 oktober 2020).
- 2Het gebruik van een taxatierapport (bedrijf 3) door de heffingsambtenaar ontslaat hem niet van zijn primaire bewijslast.
- 3Op grond van HR 13 februari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:234) kan een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengen dat de bewijslast verschuift naar belanghebbende.
- 4De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond maar kende een schadevergoeding van € 1.000,- toe wegens overschrijding van de redelijke termijn.
- 5De Staat wordt veroordeeld in de proceskosten (€ 541,-) en moet het griffierecht (€ 345,-) vergoeden.
Impactanalyse
Juridische impact
Het hof past de in februari 2026 door de Hoge Raad geïntroduceerde nuancering op de bewijslastverdeling bij WOZ-procedures toe, waarmee duidelijk wordt dat de primaire bewijslast van de heffingsambtenaar in bepaalde omstandigheden door een redelijke verdeling kan worden bijgesteld. Dit consolideert recente rechtsontwikkeling op het gebied van de gecorrigeerde vervangingswaarde.
Praktische impact
Voor belastingplichtigen die de WOZ-waarde van niet-woningen betwisten, blijft de heffingsambtenaar in beginsel als eerste aan zet voor onderbouwing, maar kunnen zij in specifieke gevallen worden aangesproken op hun eigen stelplicht. De toegekende schadevergoeding voor termijnoverschrijding biedt enige compensatie bij langdurige procedures.
Onderwerp-impact
In WOZ-geschillen over niet-woningen waarbij de gecorrigeerde vervangingswaarde en technische veroudering centraal staan, schept dit arrest meer duidelijkheid over de grenzen van de bewijslast van de heffingsambtenaar na het richtinggevende arrest van 13 februari 2026.
Samenvatting
In deze zaak voor het Gerechtshof Amsterdam stond de WOZ-waarde van een niet-woning centraal, meer specifiek de vraag bij wie de bewijslast ligt ten aanzien van de restwaardes van ruwbouw, afbouw en installaties bij de toepassing van de gecorrigeerde vervangingswaarde. De heffingsambtenaar had bij de waardevaststelling aangesloten bij een extern taxatierapport (aangeduid als 'bedrijf 3'), maar belanghebbende betwistte de gehanteerde restwaardes en de daarin verwerkte technische veroudering. Het hof bevestigt de vaste lijn uit de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 14 oktober 2005 en HR 23 oktober 2020) dat de stelplicht en bewijslast voor de WOZ-waarde primair op de heffingsambtenaar rusten. Dit geldt ook wanneer de heffingsambtenaar heeft aangesloten bij een taxatierapport van een derde partij. Het enkele feit dat belanghebbende een afwijkend standpunt inneemt, verschuift de bewijslast niet automatisch naar hem. Echter, met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2026 (ECLI:NL:HR:2026:234) nuanceert het hof dit uitgangspunt: een redelijke verdeling van de stelplicht en bewijslast kan in bepaalde omstandigheden meebrengen dat ook van belanghebbende een nadere onderbouwing wordt verlangd. De precieze uitwerking van deze nuancering ontbreekt in het beschikbare gedeelte van de uitspraak. De rechtbank had het beroep van belanghebbende eerder ongegrond verklaard, maar wel een schadevergoeding van € 1.000,- toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Staat werd tevens veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht (€ 345,-) en proceskosten (€ 541,-). De zaak illustreert de voortdurende rechtsontwikkeling rondom bewijslastverdeling in WOZ-procedures, waarbij recente Hoge Raad-jurisprudentie uit 2026 direct wordt toegepast door lagere rechters.