ECLI:NL:GHAMS:2026:2644, Gerechtshof Amsterdam, 03-09-2026, 200.372.816
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Huur woonruimte. Kort geding. Een eigenaar/hoofdverhuurder vordert ontruiming door een onderhuurder na het faillissement van de huurder/onderverhuurder. De onderhuurovereenkomst is door de latere failliet gesloten met een groep personen. De vraag is of de onderhuurovereenkomst betrekking heeft op zelfstandige of onzelfstandige woonruimte. Hoewel de onderhuurovereenkomst vermeldt dat deze betrekking heeft op de gehele woning (zelfstandige woonruimte) moet worden geconcludeerd dat in wezen door elk van de leden van de groep een kamer in de woning en dus onzelfstandige woonruimte is gehuurd. Dit betekent dat de onderhuurders geen ontruimingsbescherming toekomt. Het beroep op de opzeggingsmogelijkheid bij faillissement en op het ontbreken van onderhuurbescherming is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar en vormt ook geen misbruik van recht, ook al heeft de hoofdverhuurder toestemming gegeven om de woning aan woningdelers onder te verhuren. Spoedeisend belang. Wetsartikelen: 3:13 BW, 6:248 BW, 7:269 lid 1 BW, 254 Rv
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.