Vader krijgt geen gezag: onvoldoende betrokkenheid bij kind
ECLI:NL:GHAMS:2026:2628, Gerechtshof Amsterdam, 15-09-2026, 200.366.437/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)gezag artikel 1:253c BW. Omgangsregeling.
Kern van de zaak
Een vader verzoekt via hoger beroep om mede met het gezag over zijn minderjarige kind te worden belast. De moeder oefent momenteel eenhoofdig gezag uit. Na de relatiebreuk verliep de communicatie tussen de ouders moeizaam, ondanks jarenlange hulpverlening.
Beslissing van de rechter
Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag af. Doorslaggevend is dat de vader zich onvoldoende actief opstelt in het leven van het kind en daardoor niet op de hoogte is van relevante ontwikkelingen, wat het nemen van gezagsbeslissingen bemoeilijkt.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele familierechtelijke beschikking van een gerechtshof die de bestaande rechtspraktijk rondom artikel 1:253c BW bevestigt zonder nieuwe rechtsnormen te stellen. De uitkomst is sterk feitelijk bepaald.
Belangrijkste punten
- 1Verzoek tot gezamenlijk gezag afgewezen op grond van artikel 1:253c BW omdat de moeder niet instemt en toewijzing niet in het belang van het kind is
- 2Vader stelde zich onvoldoende actief op en was niet op de hoogte van wat er speelde in het leven van het kind
- 3Hervatting van regelmatige (beperkte) omgang per april van dat jaar onvoldoende om geschiktheid voor gezag aan te nemen
- 4Vader gaf ter zitting aan niet goed te weten wat gezag inhoudt, wat zijn onbekendheid met de verantwoordelijkheid benadrukt
- 5Ondanks jarenlange hulpverlening is er geen structurele verbetering in de communicatie tussen de ouders opgetreden
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de bestaande lijn dat gezamenlijk gezag wordt afgewezen wanneer een ouder onvoldoende betrokken is bij het kind en daardoor niet in staat is verantwoorde gezagsbeslissingen te nemen. Artikel 1:253c lid 2 BW biedt de grondslag voor afwijzing bij gebrek aan aansluiting bij het belang van het kind.
Praktische impact
De moeder blijft belast met eenhoofdig gezag en hoeft gezagsbeslissingen niet met de vader af te stemmen. De vader behoudt wel het omgangsrecht op grond van artikel 1:377a BW, maar heeft geen formele zeggenschap over de opvoeding.
Onderwerp-impact
In familiezaken met verstoorde communicatie tussen ouders onderstreept deze uitspraak dat herstel van omgang niet automatisch leidt tot bekwaamheid voor gezamenlijk gezag; betrokkenheid en kennis van het dagelijks leven van het kind zijn zelfstandige vereisten.
Samenvatting
In deze zaak verzocht een vader in hoger beroep om mede met het gezag over zijn minderjarige kind te worden belast. De ouders hadden een relatie gehad, maar na het verbreken daarvan was de communicatie ernstig verstoord geraakt. Jarenlange inzet van hulpverlening had niet geleid tot structurele verbetering. De moeder oefende eenhoofdig gezag uit en stemde niet in met gezamenlijk gezag. De vader gaf aan betrokken te willen zijn bij het leven van zijn kind, maar erkende ter zitting niet goed te weten wat het uitoefenen van gezag inhoudt. Het hof beoordeelde het verzoek op grond van artikel 1:253c BW, op grond waarvan een rechter gezamenlijk gezag kan toewijzen indien dit in het belang van het kind is. Indien de andere ouder niet instemt, wordt het verzoek slechts afgewezen wanneer toewijzing niet in het belang van het kind zou zijn of de communicatie zodanig ernstig is gestoord dat gezamenlijk gezag problemen zou opleveren. Het hof bekrachtigde de afwijzing door de rechtbank. De doorslaggevende overweging was dat de vader zich onvoldoende actief had opgesteld in het leven van het kind, waardoor hij niet op de hoogte was van wat er speelde. Het enkele feit dat de vader sinds enige maanden weer regelmatige maar beperkte omgang had, was onvoldoende om aan te nemen dat hij op dat moment in staat was gezagsbeslissingen te nemen. Het hof oordeelde dat het in het belang van het kind was dat de moeder vooralsnog belast bleef met eenhoofdig gezag. Het omgangsrecht van de vader op grond van artikel 1:377a BW bleef onverlet, maar gezag werd hem niet toegekend.