Bpm-naheffing importeur terecht opgelegd wegens ondeugdelijke koerslijst
ECLI:NL:GHAMS:2026:2584, Gerechtshof Amsterdam, 09-07-2026, 25/1835
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Naheffingsaanslag bpm; hoger beroep ongegrond.
Kern van de zaak
Een bedrijfsmatige auto-importeur ontving een naheffingsaanslag bpm en bestreed deze bij het Gerechtshof Amsterdam. De importeur stelde dat het verdedigingsbeginsel was geschonden en dat de waardevermindering van de auto hoger was dan de inspecteur had vastgesteld. Als bewijs gebruikte zij een koerslijst die niet representatief was voor het betreffende voertuig.
Beslissing van de rechter
Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond: de naheffingsaanslag bpm blijft in stand. Doorslaggevend is dat de importeur geen deugdelijk taxatierapport heeft laten opmaken en een niet-representatieve koerslijst heeft gebruikt, waardoor zij de gestelde hogere waardevermindering niet heeft bewezen.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen vaste jurisprudentie over bewijslastverdeling bij bpm en het verdedigingsbeginsel en heeft geen nieuw rechtsvormend karakter; de relevantie is beperkt tot de specifieke branche van bedrijfsmatige auto-importeurs.
Belangrijkste punten
- 1Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is niet geschonden: belanghebbende kreeg drie weken de tijd om te reageren op het voornemen tot naheffing, maar maakte hiervan geen gebruik.
- 2De bewijslast voor een hogere waardevermindering dan de wettelijke afschrijvingstabel rust op de importeur als belastingplichtige.
- 3De gebruikte koerslijst was niet representatief: het voertuig had (veel) meer vermogen en een andere uitvoering dan het referentievoertuig in de koerslijst.
- 4Het ontbreken van een taxatierapport komt voor rekening en risico van de importeur, die bedrijfsmatig auto's importeert en geacht wordt dit te weten.
- 5De rechtbank had al het griffierecht gedeeld toebedeeld aan inspecteur en Staat; de nevenbeslissingen worden in stand gelaten.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat bedrijfsmatige importeurs bij bpm-aangiften een representatief taxatierapport of passende koerslijst moeten overleggen om een hogere afschrijving dan de wettelijke tabel te onderbouwen. Het niet benutten van een geboden termijn in het kader van het verdedigingsbeginsel kan een importeur niet achteraf als schending inroepen.
Praktische impact
Auto-importeurs die afwijken van de wettelijke bpm-afschrijvingstabel dragen zelf de last een deugdelijk taxatierapport te laten opstellen; het gebruik van een niet-passende koerslijst volstaat niet en leidt tot handhaving van de naheffingsaanslag.
Onderwerp-impact
Voor de automotive-importsector onderstreept deze uitspraak het belang van correcte waardedocumentatie bij bpm-aangifte; het gebruik van koerslijsten voor vergelijkbare maar niet-identieke voertuigen is onvoldoende bewijs voor een hogere waardevermindering.
Samenvatting
Het Gerechtshof Amsterdam deed op 9 juli 2026 uitspraak in een bpm-geschil tussen een bedrijfsmatige auto-importeur en de Belastingdienst. De importeur was een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) opgelegd en bestreed deze zowel op procedurele als inhoudelijke gronden. Procedureel stelde de importeur dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel was geschonden, omdat zij niet voorafgaand aan de naheffingsaanslag was gehoord. Het hof verwierp dit betoog: de inspecteur had de importeur via een kennisgeving drie weken de gelegenheid geboden te reageren op het voornemen en de onderliggende feiten, maar de importeur had hiervan geen gebruik gemaakt. Bijzondere omstandigheden die een verdergaande hoorplicht rechtvaardigden, waren niet gesteld. Inhoudelijk draaide het geschil om de hoogte van de waardevermindering van de geïmporteerde auto. De importeur had bij de aangifte een koerslijst gebruikt, maar de inspecteur stelde onweersproken dat het voertuig aanzienlijk meer vermogen had en van een andere uitvoering was dan het referentievoertuig in die koerslijst. De koerslijst was daarmee niet representatief en kon niet als grondslag dienen voor de aangegeven waarde. Het hof benadrukte dat de bewijslast voor een hogere afschrijving dan de wettelijke tabel op de importeur rust. Nu zij naliet een deugdelijk taxatierapport te laten opmaken — wat van een bedrijfsmatige importeur mag worden verwacht — kon zij de gestelde hogere waardevermindering niet aantonen. Dit verzuim komt voor haar eigen rekening. Het hof bekrachtigde de uitspraak van de rechtbank, inclusief de nevenbeslissingen over griffierechtvergoeding. De uitspraak sluit aan bij bestaande jurisprudentie en benadrukt opnieuw dat professionele importeurs bij bpm-aangiften moeten zorgen voor passende en representatieve waardedocumentatie.