Hoger beroep WOZ ontvankelijk ondanks oude machtiging
ECLI:NL:GHAMS:2026:2578, Gerechtshof Amsterdam, 28-07-2026, 25/724
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)WOZ 2023 woning. Ontvankelijkheid hoger beroep. Schending artikel 40 Wet WOZ en bijgebouwen.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige ging in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam over een WOZ-beschikking. De heffingsambtenaar betwistte de ontvankelijkheid omdat de overgelegde machtiging meer dan twee jaar oud was en het hoger beroep uitsluitend nog betrekking had op proceskosten. De inhoudelijke kern betrof een gestelde schending van artikel 40 Wet WOZ (informatieverstrekking over KOUDV-kwalificaties).
Beslissing van de rechter
Het Hof verklaart het hoger beroep ontvankelijk, omdat de gemachtigde op verzoek van het Hof een geldige nieuwe machtiging heeft overgelegd en het rechtsmiddel belanghebbende in een betere positie kan brengen. Het argument van de heffingsambtenaar dat een op proceskosten gericht hoger beroep niet-ontvankelijk zou zijn, werd verworpen met verwijzing naar HR 11 april 2014.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande Hoge Raad-jurisprudentie toe op een standaard WOZ-geschil en introduceert geen nieuwe rechtsregels; de inhoudelijke beslissing over artikel 40 Wet WOZ is bovendien niet volledig zichtbaar in de beschikbare tekst.
Belangrijkste punten
- 1Een verouderde machtiging kan worden gesauveerd door op verzoek van de rechter een actuele, geldige machtiging over te leggen.
- 2Hoger beroep gericht op uitsluitend proceskosten is ontvankelijk als het de belastingplichtige in een betere positie kan brengen (HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878).
- 3De inhoudelijke grief betreft schending van artikel 40 lid 2 Wet WOZ: het niet verstrekken van informatie over KOUDV-correcties bij de WOZ-waardebepaling.
- 4De heffingsambtenaar beriep zich tevergeefs op HR 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:844 om niet-ontvankelijkheid te bepleiten.
- 5De uitspraak is openbaar gedaan op 28 juli 2026; partijen kunnen binnen zes weken cassatie instellen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt bestaande jurisprudentie dat een gebrekkige machtiging herstelbaar is en dat hoger beroep louter ter verkrijging van proceskostenvergoeding ontvankelijk blijft. De toepassing van artikel 40 Wet WOZ op informatieverstrekking over KOUDV-kwalificaties is inhoudelijk nog niet beslecht in de beschikbare tekst.
Praktische impact
Gemachtigden die met een verouderde machtiging procederen lopen het risico van niet-ontvankelijkheid, maar krijgen doorgaans de gelegenheid dit herstelbaar gebrek te corrigeren. Belastingplichtigen kunnen hoger beroep handhaven ook als het geschil zich heeft vernauwd tot proceskosten.
Onderwerp-impact
Voor WOZ-procedures verduidelijkt deze uitspraak dat gemeenten op grond van artikel 40 Wet WOZ gehouden zijn inzicht te geven in de gehanteerde KOUDV-correcties; het niet verstrekken daarvan kan een zelfstandige beroepsgrond vormen.
Samenvatting
In deze belastingzaak bij het Gerechtshof Amsterdam stond centraal of het door de gemachtigde ingestelde hoger beroep over een WOZ-beschikking ontvankelijk was. De heffingsambtenaar betoogde dat de bij het hogerberoepschrift gevoegde machtiging meer dan twee jaar oud en daarmee ongeldig was. Bovendien stelde de heffingsambtenaar, onder verwijzing naar HR 12 mei 2017, dat een hoger beroep dat uitsluitend nog ziet op proceskosten ten gunste van de gemachtigde zelf, niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het Hof verwierp beide bezwaren. Ten aanzien van de machtiging overwoog het Hof dat de gemachtigde op verzoek van het Hof een nieuwe, op 26 augustus 2025 gedateerde en rechtsgeldig ondertekende machtiging had overgelegd. Daarmee was het formele gebrek hersteld. Ten aanzien van de ontvankelijkheid bij een op proceskosten toegespitst hoger beroep herhaalde het Hof de lijn van HR 11 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:878): hoger beroep is ontvankelijk zolang het de belastingplichtige in een betere positie kan brengen ten aanzien van het bestreden besluit of bijkomende beslissingen, waaronder proceskosten en griffierecht. Inhoudelijk klaagde belanghebbende dat de rechtbank ten onrechte geen schending van artikel 40 lid 2 Wet WOZ had aangenomen. De gemeente zou hebben nagelaten te verstrekken op welke wijze zij bij de WOZ-waardebepaling rekening had gehouden met de KOUDV-kwalificatieverschillen. De volledige inhoudelijke beoordeling door het Hof is in de beschikbare tekst niet weergegeven, zodat over de uitkomst op dit punt onzekerheid bestaat. De uitspraak is op 28 juli 2026 in het openbaar gedaan. Beide partijen kunnen binnen zes weken cassatie instellen bij de Hoge Raad. De zaak heeft beperkte precedentwerking omdat zij bestaande jurisprudentie toepast, maar bevestigt dat formele gebreken in machtigingen herstelbaar zijn en dat proceskostenhoger beroep ontvankelijk blijft.