Belastingheffing lijfrenteverzekeringen terecht in 2019 vastgesteld
ECLI:NL:GHAMS:2026:2438, Gerechtshof Amsterdam, 25-08-2026, 25/244
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)IB/PVV. Uitkeringen op lijfrente verzekeringen terecht belast in box 1. Geen strijd met artikel 1 EP.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige is in geschil met de Belastingdienst over het belastingjaar en de wijze van heffing over uitkeringen uit lijfrenteverzekeringen (bedrijf 2 en bedrijf 4). De kernvraag betreft in welk jaar de heffing dient plaats te vinden en of de saldomethode kan worden toegepast op de ontvangen lijfrentetermijnen.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat de belastingheffing over de lijfrenteverzekering van bedrijf 2 terecht in 2019 plaatsvindt, omdat de door de Belastingdienst verleende termijnverlenging tot 1 juli 2019 meebrengt dat het verstrijken van die redelijke termijn in 2019 het belastbaar moment bepaalt. Voor de verzekeringen van bedrijf 4 geldt dat deze als Brede Herwaardering-polissen in box 1 worden belast, waarbij de (verruimde) saldomethode in beginsel van toepassing kan zijn.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande jurisprudentie toe op een specifieke feitelijke situatie en stelt geen nieuwe rechtsregels; de impact is beperkt tot vergelijkbare gevallen met oudere lijfrenteverzekeringen en termijnverlengingen door de inspecteur.
Belangrijkste punten
- 1De verlenging van de uiterste afkoopdatum door verweerder verschuift het belastbaar moment naar 2019, ondanks de wettelijke fictie van 31 december 2018 (art. 3.133 lid 3 Wet IB 2001).
- 2De verzekeringen van bedrijf 4 zijn Brede Herwaardering-polissen (afgesloten 1994 en 1998) en worden op grond van overgangsrecht Wet IB 2001 belast in box 1.
- 3De saldomethode is in beginsel toepasbaar: uitkeringen worden alleen belast voor zover zij de niet-aftrekbare premies overtreffen.
- 4Premies die in aftrek konden worden gebracht tellen niet mee voor de saldomethode; mogelijk kan de verruimde saldomethode op basis van de resolutie DB 90/3579 worden toegepast.
- 5Beide partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een door de Belastingdienst verleende termijnverlenging het belastbaar moment voor lijfrenteverzekeringen kan verschuiven, ook als de wettelijke fictiedatum eerder ligt. Tevens wordt het onderscheid tussen de reguliere en verruimde saldomethode voor Brede Herwaardering-polissen nader verduidelijkt.
Praktische impact
Belastingplichtigen met oudere lijfrenteverzekeringen dienen er rekening mee te houden dat een door de inspecteur verleende termijnverlenging directe gevolgen heeft voor het belastingjaar waarin de heffing plaatsvindt. De toepasselijkheid van de saldomethode kan de belastingdruk beperken, maar vereist zorgvuldige documentatie van betaalde premies en de aftrekbaarheid daarvan.
Onderwerp-impact
Voor houders van oudere lijfrenteverzekeringen en financieel adviseurs is deze uitspraak relevant: de fiscale behandeling van Brede Herwaardering-polissen en het moment van heffing bij termijnverlengingen worden hiermee nader afgebakend.
Samenvatting
In deze procedure bij het Gerechtshof Amsterdam stond centraal in welk belastingjaar heffing dient plaats te vinden over uitkeringen uit twee typen lijfrenteverzekeringen, en of de saldomethode kon worden toegepast. De belastingplichtige hield polissen bij bedrijf 2 en bedrijf 4; de inspecteur had eerder een termijnverlenging verleend voor de omzetting of vaststelling van lijfrentetermijnen van de bedrijf 2-verzekering tot 1 juli 2019. Het hof stelt vast dat, hoewel de wettelijke fictie van artikel 3.133 lid 3 Wet IB 2001 de uiterste afkoopdatum op 31 december 2018 stelt, de door de inspecteur verleende termijnverlenging meebrengt dat het redelijk is het belastbaar moment te verschuiven naar 2019. Met het verstrijken van die verlengde termijn in 2019 vindt de heffing in dat jaar plaats, in lijn met eerder gerechtshof Amsterdam-jurisprudentie (ECLI:NL:GHAMS:2013:CA3285). De verzekeringen van bedrijf 4 zijn aangemerkt als Brede Herwaardering-polissen, omdat zij zijn afgesloten op 1 juli 1994 en 1 juli 1998. Op grond van overgangsrecht (artikel I, onderdeel T, IW IB 2001 jo. afdeling 3.8 Wet IB 2001) worden de uitkeringen belast in box 1. Voor beide typen verzekeringen beoordeelt de rechtbank vervolgens of de saldomethode toepassing vindt. De saldomethode houdt in dat uitkeringen slechts belastbaar zijn voor zover zij de niet-aftrekbare premies overtreffen. Premies die fiscaal aftrekbaar waren, worden buiten beschouwing gelaten; in dat geval kan eventueel de verruimde saldomethode op basis van de resolutie van 29 juni 1990 worden ingeroepen. De uitspraak is openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026; cassatie is mogelijk binnen zes weken.