Gezag vader afgewezen, omgangsregeling en kinderalimentatie vastgesteld
ECLI:NL:GHAMS:2026:2050, Gerechtshof Amsterdam, 28-07-2026, 200.359.550/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)gezag, omgang en kinderalimentatie.
Kern van de zaak
Gescheiden ouders strijden sinds 2021 over het gezag, de omgangsregeling en kinderalimentatie voor hun in 2019 geboren kind. De vader verzoekt gezamenlijk gezag en aanpassing van de omgangsregeling; de moeder wil de omgang juist beperken. De zaak kent een lange voorgeschiedenis met hulpverleningstrajecten.
Beslissing van de rechter
Het hof behandelt het hoger beroep van de vader (ingesteld op 22 september 2025) en het incidenteel hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 23 juni 2025. De rechtbank had eerder het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag afgewezen, een omgangsregeling vastgesteld en kinderalimentatie bepaald op € 290,- per maand; de volledige eindbeslissing van het hof is op basis van de beschikbare tekst niet volledig kenbaar.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele familiezaak zonder nieuwe rechtsvragen; de beslissingen volgen standaard rechtspraak over gezag en omgang bij conflictueuze scheidingen. De uitspraaktekst is bovendien onvolledig, waardoor de uiteindelijke beslissing van het hof niet volledig beoordeeld kan worden.
Belangrijkste punten
- 1De moeder oefent het eenhoofdig gezag uit over het kind; het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag is door de rechtbank afgewezen.
- 2De rechtbank heeft een reguliere omgangsregeling vastgesteld; de vader wenst uitbreiding, de moeder juist beperking in hoger beroep.
- 3Kinderalimentatie is vastgesteld op € 290,- per maand met ingang van 1 januari 2024.
- 4Diverse hulpverleningstrajecten (Altra, Ouderschap Blijft, Piep zei de muis, PSO bij Timon, KIES-training) zijn ingezet vanwege communicatieproblemen tussen ouders.
- 5De beschikbare uitspraaktekst is onvolledig; de eindbeslissing van het hof in hoger beroep is niet volledig uit de tekst af te leiden.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past binnen de bestaande lijn van rechtspraak over eenhoofdig gezag bij ernstig verstoorde communicatie tussen ouders; geen aanwijzingen voor richtinggevende rechtsontwikkeling. De toepassing van art. 223 Rv (voorlopige voorziening in hoger beroep) is expliciet aan de orde gekomen en afgewezen.
Praktische impact
Voor de betrokken ouders en het kind is de uitkomst bepalend voor de dagelijkse omgang en de verdeling van ouderlijk gezag; de vader behoudt geen gezamenlijk gezag en de omgangsregeling wordt in hoger beroep nader vastgesteld. De lopende hulpverleningstrajecten voor het kind blijven relevant voor de uitvoering van de regeling.
Onderwerp-impact
In zaken over co-ouderschap en omgang bij conflictueuze scheidingen bevestigt deze zaak het belang van aantoonbare communicatiebereidheid voor toekenning van gezamenlijk gezag; hulpverleningstrajecten die stranden door gebrek aan samenwerking wegen mee in de beoordeling.
Samenvatting
Deze zaak betreft een langlopend familierechterlijk geschil tussen twee voormalige partners over hun in 2019 geboren kind. Partijen hadden van 2012 tot eind 2020 een affectieve relatie. De vader heeft het kind erkend, maar de moeder oefent het eenhoofdig gezag uit. Sinds 2021 zijn partijen verwikkeld in juridische procedures over gezag, omgang en kinderalimentatie. De rechtbank Amsterdam deed op 23 juni 2025 een definitieve uitspraak, waarbij het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag werd afgewezen, een omgangsregeling werd vastgesteld en de kinderalimentatie op € 290,- per maand werd bepaald met ingang van 1 januari 2024. De vader is op 22 september 2025 in hoger beroep gegaan; hij wenst uitbreiding van de omgangsregeling. De moeder heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en wenst juist beperking van de omgang; voor het overige kan zij zich vinden in de rechtbankbeslissing. Gedurende de procedure zijn diverse hulpverleningstrajecten ingezet, waaronder een Ouderschap Blijft-traject via Altra, dat niet kon worden voortgezet vanwege aanhoudende communicatieproblemen tussen de ouders. Het kind volgt inmiddels de KIES-training en ontvangt ondersteuning van een POH-GGZ kind. De moeder neemt deel aan het Parallel Solo Ouderschap-traject bij Timon. Het hof heeft de zaak op 28 mei 2026 op zitting behandeld. De beschikbare uitspraaktekst is onvolledig, waardoor de uiteindelijke beslissing van het hof in hoger beroep niet volledig uit de tekst kan worden afgeleid. Op basis van de beschikbare informatie lijkt het hof de beoordeling te richten op de vraag in hoeverre de omgangsregeling dient te worden uitgebreid dan wel beperkt, waarbij de hulpverleningsgeschiedenis en de communicatieproblematiek een centrale rol spelen.