Douane UTB's blijven in stand ondanks late stukken overlegging
ECLI:NL:GHAMS:2026:2011, Gerechtshof Amsterdam, 17-03-2026, 24/3416 en 24/3417
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Douane. Douaneschuld ontstaan omdat goederen in het vrije verkeer zijn gebracht zonder dat de daarvoor vereiste aangifte is gedaan. Verlengde verjaringstermijn vanwege strafrechtelijk vervolgbaar handelen. Douaneschuld komt niet (op grond van het evenredigheidsbeginsel) voor rekening van het Rijk.
Kern van de zaak
Een bedrijf (eiseres) vecht uitnodigingen tot betaling (UTB's) aan die de douane heeft opgelegd wegens het niet aanzuiveren van de bijzondere regeling Actieve Veredeling (AV). Eiseres stelt dat haar verdedigingsrechten zijn geschonden omdat de inspecteur interne stukken pas in beroep heeft overgelegd. Het geschil speelt zich af in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam na een ongegrondverklaring door de rechtbank.
Beslissing van de rechter
De beroepen zijn ongegrond verklaard; de UTB's blijven in stand. De doorslaggevende reden is dat de schending van het verdedigingsbeginsel alleen tot vernietiging leidt als het besluitvormingsproces zonder de schending een andere afloop zou kunnen hebben gehad, en dat niet is aangetoond dat eiseres een relevante inbreng had kunnen leveren die tot een ander besluit zou hebben geleid.
Impactscore
LaagDe uitspraak past geheel binnen bestaande rechtspraak van de Hoge Raad en het HvJ EU over het verdedigingsbeginsel en bevat geen nieuwe rechtsregels; de feitelijke en juridische reikwijdte is beperkt tot douaneprocedures rondom bijzondere regelingen.
Belangrijkste punten
- 1Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel verplicht een bestuursorgaan de betrokkene de gelegenheid te geven opmerkingen te maken vóór het besluit, maar schending leidt niet automatisch tot vernietiging.
- 2Vernietiging is alleen gerechtvaardigd als aannemelijk is dat het besluitvormingsproces zonder de schending een andere afloop had kunnen hebben.
- 3Het te laat overleggen van interne overlegstukken door de inspecteur levert in dit geval geen toereikende schending van het verdedigingsbeginsel op.
- 4De rechtbank kende wel immateriële schadevergoeding toe (€ 500) wegens overschrijding van de redelijke termijn en vergoedde proceskosten en griffierecht.
- 5De zaak betreft de bijzondere douaneregeling Actieve Veredeling (AV) en de aanzuiveringsplicht die daarmee samenhangt.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn van de Hoge Raad (HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3467) dat een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel in douanezaken slechts tot vernietiging leidt bij causaal verband tussen de schending en de uitkomst van de besluitvorming. Dit stelt een hoge drempel voor belastingplichtigen die verdedigingsrechtschendingen aanvoeren.
Praktische impact
Importeurs en andere douaneschuldenaars die UTB's betwisten op grond van procedurele gebreken moeten concreet aantonen welke relevante inbreng zij hadden kunnen leveren; een louter formeel beroep op te laat overgelegde stukken volstaat niet om de UTB's van tafel te krijgen.
Onderwerp-impact
Voor ondernemingen die gebruik maken van bijzondere douaneregelingen zoals Actieve Veredeling benadrukt deze uitspraak het belang van tijdige en volledige aanzuivering; procedurele fouten van de douane leiden zelden tot vernietiging van de betalingsverplichting.
Samenvatting
In deze zaak bij het Gerechtshof Amsterdam staan uitnodigingen tot betaling (UTB's) centraal die de douane heeft opgelegd aan een onderneming wegens het niet correct aanzuiveren van de bijzondere douaneregeling Actieve Veredeling (AV). De onderneming had in eerste aanleg beroep ingesteld bij de rechtbank en betoogd dat haar verdedigingsrechten waren geschonden, omdat de inspecteur interne overlegstukken pas in de beroepsprocedure had overgelegd in plaats van vóór het opleggen van de UTB's. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, maar kende wel een immateriële schadevergoeding van € 500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, en veroordeelde de inspecteur in de proceskosten (€ 218,75) en het griffierecht (€ 365). De onderneming stelde vervolgens hoger beroep in bij het Gerechtshof Amsterdam. De centrale juridische vraag is of de late overlegging van interne stukken door de inspecteur een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel oplevert die leidt tot vernietiging van de UTB's. Het hof overweegt, in navolging van de Hoge Raad (HR 4 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3467) en het HvJ EU (Kamino, gevoegde zaken C-129/13 en C-130/13), dat een schending van het verdedigingsbeginsel uitsluitend tot vernietiging van een besluit leidt indien het besluitvormingsproces zonder de schending een andere afloop zou kunnen hebben gehad. De betrokken onderneming dient daartoe aannemelijk te maken dat zij een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de UTB's van belang was en die niet kan worden uitgesloten de uitkomst te hebben beïnvloed. Nu eiseres dit niet heeft aangetoond, blijven de UTB's in stand. De uitspraak bevestigt daarmee de hoge drempel die in het Unierecht geldt voor het succesvol inroepen van verdedigingsrechtschendingen in douanezaken.