BPM-naheffing deels gegrond wegens hogere historische nieuwprijs
ECLI:NL:GHAMS:2026:1923, Gerechtshof Amsterdam, 09-07-2026, 24/3413
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Verlaging naheffingsaanslag bpm met € 23 i.v.m. te hoge historische nieuwprijs; lage puntwaarde pkv bezwaar; redenen om geen prejudiciële vragen aan HvJ EU te stellen met betrekking tot diverse standpunten (gemachtigde van) belanghebbende.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (belanghebbende) is in beroep gegaan tegen een naheffingsaanslag BPM opgelegd door de inspecteur. Het geschil betreft zowel de procedurele vraag of het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden als de materiële vraag naar de juiste hoogte van de naheffingsaanslag, in het bijzonder de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde van het voertuig.
Beslissing van de rechter
Het hof wijst de klacht over schending van het verdedigingsbeginsel af, omdat belanghebbende tijdig in de gelegenheid is gesteld te reageren maar dit heeft nagelaten. De naheffingsaanslag wordt gedeeltelijk gegrond bevonden: de historische nieuwprijs dient te worden vastgesteld op € 35.390 op basis van de netto catalogusprijs, BTW en bruto BPM, maar de handelsinkoopwaarde van € 17.281 blijft in stand omdat de Eurotax-koerslijst het oordeel niet ondermijnt.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijke geschil over een individuele BPM-naheffing; de rechtsvragen zijn niet nieuw en de uitkomst is sterk casuïstisch. De uitspraak voegt weinig toe aan bestaande jurisprudentie over het verdedigingsbeginsel of BPM-waardebepaling.
Belangrijkste punten
- 1Schending Unierechtelijk verdedigingsbeginsel niet aangetoond: belanghebbende kreeg drie weken om te reageren op het voornemen tot naheffing maar heeft dit niet benut.
- 2Hogere historische nieuwprijs van € 35.390 moet in aanmerking worden genomen (netto catalogusprijs € 22.524 + 21% OB + bruto BPM € 8.136).
- 3Handelsinkoopwaarde van € 17.281 blijft gehandhaafd; Eurotax-koerslijst biedt onvoldoende tegenbewijs.
- 4Vergelijking met XRAY-koerslijst (aanvaard door DRZ en inspecteur) prevaleert boven Eurotax-referentie met iets lagere nieuwprijs.
- 5Rechtbank had al immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn toegewezen (€ 917 door inspecteur, € 1.083 door Staat).
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een belastingplichtige die een aangeboden gelegenheid tot reactie onbenut laat, nadien niet met succes een beroep op het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel kan doen. Tevens verduidelijkt het hof hoe de historische nieuwprijs bij BPM-naheffingen op tweedehands voertuigen wordt berekend.
Praktische impact
Importeurs en eigenaren van gebruikte voertuigen die BPM-naheffingen ontvangen, dienen tijdig en actief te reageren op vooraankondigingen van de inspecteur om procedurele rechten te behouden. Ongebruikte reactiemogelijkheden kunnen later niet alsnog worden ingeroepen.
Onderwerp-impact
De uitspraak heeft impact op de praktijk rondom BPM-heffing bij invoer van gebruikte voertuigen, met name de keuze en weging van koerslijsten (XRAY vs. Eurotax) bij de vaststelling van de handelsinkoopwaarde.
Samenvatting
In deze hogerberoepszaak voor het Gerechtshof Amsterdam staat een naheffingsaanslag BPM centraal die de inspecteur had opgelegd aan een belastingplichtige in verband met de registratie van een gebruikte personenauto. De belastingplichtige betoogde in de eerste plaats dat de naheffingsaanslag moest worden vernietigd wegens schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, omdat hij niet voorafgaand aan de aanslag zou zijn gehoord. Het hof verwerpt dit betoog. Uit de feiten blijkt dat de inspecteur de belastingplichtige tijdig, via een kennisgeving van het voornemen tot naheffing, een termijn van drie weken heeft geboden om te reageren. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Het hof oordeelt dat de inspecteur daarmee heeft voldaan aan zijn verplichting uit hoofde van het verdedigingsbeginsel; er zijn geen bijzondere omstandigheden die een verdergaande hoorplicht rechtvaardigden. Op het materiële punt slaagt het hoger beroep gedeeltelijk. Het hof stelt vast dat de historische nieuwprijs van het voertuig onjuist is vastgesteld en corrigeert deze naar € 35.390. Die berekening is gebaseerd op de netto catalogusprijs van € 22.524, vermeerderd met 21% omzetbelasting en de bruto BPM van € 8.136 ten tijde van de eerste ingebruikneming. De handelsinkoopwaarde van € 17.281 blijft echter in stand. Hoewel de belastingplichtige een Eurotax-koerslijst heeft overgelegd die voor een vergelijkbaar referentievoertuig een lagere waarde toont, acht het hof dit onvoldoende om aannemelijk te maken dat de door DRZ en de inspecteur gehanteerde individuele taxatie op basis van de XRAY-koerslijst onjuist is. Het verschil in referentievoertuig en de nog toe te passen bijstellingen voor markt- en dealersituatie maken de Eurotax-gegevens niet doorslaggevend. De rechtbank had in eerste aanleg ook immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegewezen (in totaal € 2.000 verdeeld over inspecteur en Staat), wat in hoger beroep niet ter discussie stond.