Hof bekrachtigt zorgregeling kind ondanks bezwaren moeder
ECLI:NL:GHAMS:2026:1305, Gerechtshof Amsterdam, 12-05-2026, 200.360.367/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)reguliere zorgregeling, vakantieregeling, videobelmoment en (permanente) vervangende toestemming reizen Artikel: 1:253a lid 1 en lid 4 BW
Kern van de zaak
Gescheiden ouders twisten over de zorgregeling voor hun minderjarige kind. De moeder verzoekt in hoger beroep de bestaande zorgregeling te wijzigen omdat deze te zwaar en onrustig zou zijn voor het kind. De vader wenst handhaving van de geldende regeling.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Amsterdam wijst het verzoek van de moeder om wijziging van de zorgregeling af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank. Doorslaggevend is dat de huidige co-ouderschapsregeling met minimale wisselmomenten, gelet op de slechte communicatie tussen de ouders, de meeste rust biedt voor het kind.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijke toepassing van bestaande rechtspraak in een individuele familiezaak zonder nieuwe rechtsvragen; de uitkomst is casuïstisch en heeft geen precedentwerking buiten deze zaak.
Belangrijkste punten
- 1De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde een co-ouderschapsregeling met om-de-week-wisseling, als rustiger alternatief voor de eerdere regeling met meerdere wisselmomenten per week.
- 2Het hof sluit aan bij het recente raadsrapport (juni 2025) en ziet onvoldoende reden om daarvan af te wijken.
- 3Slechte communicatie tussen ouders maakt een regeling met zo min mogelijk wisselmomenten wenselijk in het belang van het kind.
- 4Niet is gebleken dat de huidige zorgregeling te zwaar of onrustig is voor het kind, ondanks de stellingen van de moeder.
- 5De huidige regeling wordt al geruime tijd door beide ouders uitgevoerd, wat bijdraagt aan de continuïteit en rust voor het kind.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat rechters in zorgregelingszaken sterk leunen op recente raadsrapporten en dat een stabiele, reeds functionerende regeling niet snel wordt gewijzigd zonder concrete aanwijzingen van schade voor het kind.
Praktische impact
De moeder kan de zorgregeling niet wijzigen; het kind blijft om de week bij elk van de ouders verblijven, wat continuïteit biedt maar de moeder bindt aan een regeling waarmee zij het oneens is.
Onderwerp-impact
In familiezaken met communicatieproblemen tussen ouders wordt bevestigd dat minimalisering van wisselmomenten als standaard uitgangspunt kan gelden ter bescherming van de rust van het kind.
Samenvatting
In deze hoger beroepszaak bij het Gerechtshof Amsterdam strijden gescheiden ouders over de zorgregeling voor hun minderjarige kind. De moeder had in hoger beroep verzocht de geldende zorgregeling te wijzigen, stellende dat deze te zwaar en onrustig zou zijn voor het kind. De vader verzette zich hiertegen en wenste handhaving van de bestaande regeling. De rechtbank had eerder, mede op advies van de Raad voor de Kinderbescherming, een co-ouderschapsregeling vastgesteld waarbij het kind om de week afwisselend bij elk van de ouders verblijft, te weten van maandagmiddag na school tot de volgende maandagochtend voor school. Dit was een wijziging ten opzichte van de voorgaande regeling, die meerdere wisselmomenten per week kende en door de raad als onvoldoende rustgevend werd beoordeeld. Het hof overweegt dat het raadsrapport van juni 2025 relatief recent is en voldoende onderbouwd advies bevat. Er is geen aanleiding om van dit advies af te wijken. Centraal in de motivering staat de slechte communicatie tussen de ouders: een regeling met zo min mogelijk wisselmomenten creëert meer rust voor het kind en is daarmee meer in zijn belang. Het hof stelt vast dat de huidige regeling inmiddels al geruime tijd door beide ouders wordt uitgevoerd en dat niet is gebleken van concrete nadelen voor het kind. De stelling van de moeder dat de regeling te zwaar is, wordt niet gevolgd. Het verzoek van de moeder tot wijziging van de zorgregeling wordt afgewezen en de beschikking van de rechtbank wordt op dit punt bekrachtigd. De uitspraak illustreert dat stabiliteit en continuïteit in de zorgregeling, zeker bij gebrekkige oudercommunicatie, zwaar wegen in de rechterlijke afweging.