Man niet-ontvankelijk wegens te laat ingesteld hoger beroep
ECLI:NL:GHAMS:2026:1301, Gerechtshof Amsterdam, 12-05-2026, 200.360.044/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Hoger beroep te laat ingesteld. Niet-ontvankelijk.
Kern van de zaak
Een man stelde hoger beroep in tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland. Hij betoogde dat de beroepstermijn pas begon op de datum van betekening (11 juli 2025), omdat hij niet ter zitting was verschenen. De zaak betreft een familiezaak waarbij partijen eerder proceshandelingen verrichtten.
Beslissing van de rechter
Het hof verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. De doorslaggevende reden is dat de man door het indienen van een verweerschrift met zelfstandig verzoek op 12 oktober 2023 als verschenen belanghebbende geldt, waardoor de beroepstermijn van drie maanden begon op de datum van de uitspraak (6 juni 2025) en uiterlijk op 6 september 2025 verstreek.
Impactscore
LaagDe uitspraak past vaste en goed gevestigde rechtspraak toe over rechtsmiddelentermijnen en het begrip 'verschijnen'; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en de impact is beperkt tot de betrokken partijen.
Belangrijkste punten
- 1Rechtsmiddelentermijnen zijn van openbare orde en worden ambtshalve toegepast door de rechter.
- 2Verschijnen als belanghebbende vereist geen fysieke aanwezigheid ter zitting; het indienen van een verweerschrift volstaat.
- 3De man had op 12 oktober 2023 een verweerschrift met zelfstandig verzoek ingediend en gold daarmee als verschenen belanghebbende.
- 4Het feit dat de advocaat zich vóór de mondelinge behandeling heeft onttrokken, verandert niets aan de hoedanigheid als verschenen belanghebbende.
- 5De beroepstermijn van drie maanden liep van 6 juni 2025 tot 6 september 2025; het hoger beroep werd te laat ingesteld.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt vaste rechtspraak dat processueel 'verschijnen' ruim wordt uitgelegd: het indienen van een verweerschrift volstaat, ongeacht latere afwezigheid ter zitting of onttrekking van de advocaat. Dit stelt duidelijke grenzen aan pogingen om een langere beroepstermijn via de betekenisroute te benutten.
Praktische impact
Partijen die in eerste aanleg een verweerschrift hebben ingediend, dienen er rekening mee te houden dat de beroepstermijn van drie maanden aanvangt op de datum van de uitspraak, ongeacht hun feitelijke aanwezigheid bij de mondelinge behandeling of eventuele onttrekking van hun advocaat.
Onderwerp-impact
In familiezaken met grensoverschrijdende elementen (de stukken waren in het Thais) is tijdige rechtsbijstand en bewaking van termijnen cruciaal; het ontbreken daarvan kan leiden tot definitief verlies van het rechtsmiddel.
Samenvatting
In deze zaak stond de vraag centraal of een man tijdig hoger beroep had ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 6 juni 2025. De man betoogde dat hij in de procedure bij de rechtbank niet was 'verschenen' in de zin van artikel 358 lid 2 Rv, omdat hij niet fysiek aanwezig was geweest bij de mondelinge behandeling. Op grond daarvan meende hij dat de beroepstermijn pas was gaan lopen op de datum van betekening van de beschikking, te weten 11 juli 2025, waardoor zijn hoger beroep tijdig zou zijn. Het Gerechtshof Amsterdam verwierp dit standpunt. Het hof benadrukte dat rechtsmiddelentermijnen van openbare orde zijn en ambtshalve moeten worden getoetst. Vervolgens oordeelde het hof dat het begrip 'verschijnen' als belanghebbende niet gelijkstaat aan fysieke aanwezigheid ter zitting. Doorslaggevend was dat de man op 12 oktober 2023 een verweerschrift met zelfstandig verzoek had ingediend in de procedure in eerste aanleg. Door deze proceshandeling had hij zich als verschenen belanghebbende gepresenteerd en was de beschikking op tegenspraak gewezen. Aan dit oordeel deed niet af dat de advocaat van de man zich in november 2024, vóór de mondelinge behandeling, als advocaat had onttrokken. Nu de man als verschenen belanghebbende werd aangemerkt, gold de beroepstermijn van drie maanden vanaf de datum van de uitspraak. De termijn liep derhalve van 6 juni 2025 tot uiterlijk 6 september 2025. Omdat het hoger beroep na die datum was ingesteld, verklaarde het hof de man niet-ontvankelijk. De uitspraak illustreert het belang van strakke termijnbewaking en toont dat processuele handelingen in een vroeg stadium verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor de ontvankelijkheid van een later rechtsmiddel.