Piloot fiscaal inwoner Nederland ondanks stationering in VK
ECLI:NL:GHAMS:2026:1285, Gerechtshof Amsterdam, 21-04-2026, 23/873 en 23/875
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Aanslag IB/PVV 2018. Piloot. Dubbel hoger beroep. Vaststelling fiscale woonplaats/onderworpenheid in Nederland en VK. Statutory residence test. Tiebreaker verdrag NL-VK.
Kern van de zaak
Een Nederlandse piloot, werkzaam voor een op Malta gevestigde luchtvaartmaatschappij en gestationeerd op een luchthaven in het Verenigd Koninkrijk, stond in 2018 ingeschreven in de BRP in Nederland bij zijn ouders. De inspecteur en de piloot twisten over zijn fiscale inwonerschap en de hoogte van de aanslag inkomstenbelasting 2018. Beide partijen gingen in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Amsterdam behandelt het hoger beroep van zowel de belastingplichtige als de inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank, die het beroep gegrond verklaarde en de aanslag verminderde tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.496. De doorslaggevende rechtsvraag betreft de invulling van het fiscale inwonerschap in 2018, mede in het licht van het afwijkende Britse belastingjaar (6 april – 5 april).
Impactscore
LaagHet betreft een feitenrechtelijke belastingzaak over individueel inwonerschap zonder aanwijzingen dat het Hof een principiële nieuwe rechtsregel formuleert; de uitkomst is relevant voor vergelijkbare gevallen maar heeft beperkte bredere precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Belastingplichtige staat geheel 2018 ingeschreven in de BRP in Nederland, maar is gestationeerd in het Verenigd Koninkrijk als piloot voor een Maltese luchtvaartmaatschappij.
- 2De centrale rechtsvraag betreft de vaststelling van het fiscale inwonerschap voor het jaar 2018.
- 3Complicerende factor is het afwijkende Britse belastingjaar (6 april – 5 april) ten opzichte van het Nederlandse kalenderjaar.
- 4De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en reduceerde de aanslag; beide partijen stelden hoger beroep in.
- 5Het Hof heeft partijen gevraagd nadere stukken in te dienen over de invulling van het fiscale inwonerschap en de Britse belastingjaarsystematiek.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt hoe fiscaal inwonerschap wordt beoordeeld bij grensoverschrijdende arbeidsrelaties waarbij BRP-inschrijving, feitelijke woon- en werkplaats en internationale verdragsrechtelijke aspecten samenkomen. De complicatie van het afwijkende Britse belastingjaar voegt een bijzonder element toe aan de toepassing van het belastingverdrag Nederland-VK.
Praktische impact
Voor piloten en andere mobiele werknemers die in het buitenland gestationeerd zijn maar in Nederland ingeschreven staan, biedt deze zaak inzicht in de risico's van dubbele belastingheffing en de criteria die de fiscus hanteert bij de beoordeling van inwonerschap. De uitkomst is relevant voor de hoogte van de uiteindelijk verschuldigde inkomstenbelasting.
Onderwerp-impact
Voor de luchtvaartsector en andere sectoren met internationaal gestationeerde werknemers benadrukt deze zaak het belang van een zorgvuldige vastlegging van fiscale woonplaats en de gevolgen van stationering in landen met een afwijkend belastingjaar.
Samenvatting
Deze zaak betreft een Nederlandse piloot die in 2018 geheel jaar ingeschreven stond in de Basisregistratie Personen in Nederland, maar feitelijk werkzaam was voor een Maltese luchtvaartmaatschappij en gestationeerd was op een luchthaven in het Verenigd Koninkrijk. De inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting op waarbij hij de piloot als fiscaal inwoner van Nederland beschouwde. De piloot betwistte dit standpunt, waarna de rechtbank het beroep gegrond verklaarde en de aanslag verlaagde tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.496. Zowel de belastingplichtige als de inspecteur stelden vervolgens hoger beroep in bij het Gerechtshof Amsterdam. De centrale rechtsvraag in hoger beroep is de juiste invulling van het fiscale inwonerschap voor het jaar 2018. Het Hof heeft partijen verzocht aanvullende stukken in te dienen, met name over de beoordeling van het inwonerschap en over de complicerende omstandigheid dat het Britse belastingjaar niet het kalenderjaar volgt, maar loopt van 6 april tot en met 5 april van het volgende jaar. Dit afwijkende belastingjaar kan gevolgen hebben voor de toepassing van het belastingverdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk en de verdeling van heffingsrechten. De uitspraak is op 21 april 2026 gewezen door het Gerechtshof Amsterdam. Omdat de beschikbare tekst van de uitspraak onvolledig is en de definitieve eindbeslissing van het Hof in hoger beroep niet volledig blijkt, is de exacte uitkomst van het hoger beroep onzeker op basis van de beschikbare informatie. De zaak is praktisch relevant voor grensoverschrijdend werkende piloten en andere mobiele werknemers die geconfronteerd kunnen worden met vergelijkbare fiscale vraagstukken rondom inwonerschap en belastingverdragstoepassing.