Belastinghof beoordeelt belastbaar loon en gericht vrijgestelde vergoedingen
ECLI:NL:GHAMS:2026:1284, Gerechtshof Amsterdam, 21-04-2026, 23/1251
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Aanslag IB 2018. Piloot. Kostenvergoeding. HR 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1236. Uitsluitend een door de werkgever met belanghebbende overeengekomen vergoeding kan onder de Wet LB kwalificeren als een gericht vrijgestelde vergoeding. Individuele buitensporige last?
Kern van de zaak
Een belastingplichtige heeft beroep ingesteld bij Gerechtshof Amsterdam tegen een belastingaanslag in de inkomstenbelasting. In geschil is de hoogte van het belastbaar loon, met name of bepaalde vergoedingen als gericht vrijgesteld kunnen worden aangemerkt op grond van de Wet LB. De belastingplichtige stelde tevens dat sprake is van een individuele en buitensporige last.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Amsterdam heeft uitspraak gedaan op 21 april 2026 over de kwalificatie van belastbaar loon en de toepassing van gericht vrijgestelde vergoedingen. De doorslaggevende reden is dat de belastingplichtige onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn volledige financiële situatie, waardoor de stelling over een individuele en buitensporige last niet aannemelijk is gemaakt; over de inhoudelijke beoordeling van de gericht vrijgestelde vergoedingen verwijst het hof naar het HR-arrest van 5 september 2025.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande rechtslijn toe (HR 2020 inzake buitensporige last) en verwijst naar recent HR-arrest uit 2025 zonder zelf nieuwe rechtsnormen te stellen; de feitelijke en juridische beoordeling is casuïstisch van aard.
Belangrijkste punten
- 1Belastbaar loon wordt vastgesteld conform artikel 3.80 en 3.81 Wet IB 2001, met een schakelbepaling naar de Wet LB via artikel 3.84 Wet IB 2001.
- 2Gericht vrijgestelde vergoedingen (artikel 31 lid 1 letter f en artikel 31a lid 2 Wet LB) kunnen buiten het belastbaar loon vallen, ook bij een buitenlandse werkgever die geen inhoudingsplichtige is.
- 3Voor een geslaagd beroep op individuele en buitensporige last (EVRM/Eerste Protocol) dient de volledige financiële situatie van de belastingplichtige inzichtelijk te worden gemaakt (HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:831).
- 4De belastingplichtige is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van een individuele en buitensporige last wegens onvoldoende financiële informatie.
- 5Het hof betrekt het arrest van de Hoge Raad van 5 september 2025 bij de beoordeling van de gericht vrijgestelde vergoedingen, wat duidt op een recente rechtsontwikkeling op dit terrein.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat bij een beroep op individuele en buitensporige last de belastingplichtige de volledige financiële situatie inzichtelijk moet maken; zonder die informatie faalt het beroep. De toepassing van gericht vrijgestelde vergoedingen bij buitenlandse werkgevers blijft een technisch aandachtspunt in de inkomstenbelasting.
Praktische impact
Belastingplichtigen die menen dat een aanslag een buitensporige last vormt, dienen proactief en volledig hun financiële situatie te onderbouwen. Voor werknemers met een buitenlandse werkgever is het van belang de aard en omvang van ontvangen vergoedingen nauwkeurig te documenteren om gericht vrijstelling te kunnen claimen.
Onderwerp-impact
In de context van grensoverschrijdend werk en buitenlandse werkgevers verduidelijkt deze zaak de voorwaarden voor gericht vrijgestelde vergoedingen, wat relevant is voor expats en internationaal mobiele werknemers in Nederland.
Samenvatting
In deze belastingprocedure bij Gerechtshof Amsterdam stond de hoogte van het belastbaar loon van een belastingplichtige centraal, meer in het bijzonder de vraag of bepaalde door zijn (buitenlandse) werkgever verstrekte vergoedingen als gericht vrijgesteld kunnen worden aangemerkt in de zin van artikel 31, lid 1, letter f, en artikel 31a, lid 2, van de Wet op de Loonbelasting 1964. Daarnaast deed de belastingplichtige een beroep op het ontbreken van een individuele en buitensporige last in de zin van het Eerste Protocol bij het EVRM, stellende dat hij meer belasting diende te betalen dan hij aan inkomen had genoten. Het hof oordeelde dat de belastingplichtige onvoldoende inzicht had verschaft in zijn volledige financiële situatie. Conform de vaste rechtslijn van de Hoge Raad (HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:831) moeten de gevolgen van een belastingaanslag in samenhang met de gehele financiële situatie worden beoordeeld. Nu die informatie ontbrak, kon de stelling over de buitensporige last niet slagen. Het hof verwees voor de inhoudelijke beoordeling van de gericht vrijgestelde vergoedingen naar het arrest van de Hoge Raad van 5 september 2025, dat relevante verduidelijking biedt over de voorwaarden waaronder dergelijke vergoedingen buiten het belastbaar loon blijven bij een werkgever die geen inhoudingsplichtige is. De uitspraak illustreert dat belastingplichtigen die een beroep doen op een individuele en buitensporige last een zware stelplicht hebben: zij moeten hun volledige financiële situatie actief en concreet onderbouwen. Verder bevestigt de zaak dat voor gericht vrijgestelde vergoedingen de aard van de vergoeding en de hoedanigheid van de werkgever bepalend zijn. Beide partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad.