Wrakingsverzoek afgewezen: procesbeslissing geen bewijs partijdigheid
ECLI:NL:CRVB:2026:976, Centrale Raad van Beroep, 27-07-2026, 24/1616 AWBZ-W
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Verzoek om wraking afgewezen. Afwijzing van het aanhoudingsverzoek is een procesbeslissing. Wraking is geen verkapt rechtsmiddel tegen een procesbeslissing.
Kern van de zaak
Verzoeker in een AWBZ-zaak vroeg wraking van de behandelend rechter nadat zijn aanhoudingsverzoek was afgewezen. Hij stelde dat de zittingsdatum bewust zo was gepland dat zijn advocaat niet aanwezig kon zijn en dat laat ingediende stukken van het zorgkantoor een behoorlijke voorbereiding belemmerden.
Beslissing van de rechter
Het wrakingsverzoek is afgewezen. De wrakingskamer oordeelt dat de afwijzing van het aanhoudingsverzoek een procesbeslissing is waartegen wraking geen verkapt rechtsmiddel kan zijn, en dat de motivering daarvan objectief bezien geen blijk geeft van partijdigheid of vooringenomenheid.
Impactscore
LaagDe uitspraak past volledig binnen vaste wrakingsjurisprudentie en introduceert geen nieuwe rechtsregels; de impact is beperkt tot bevestiging van bestaand recht in een individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1Een rechter wordt op grond van zijn aanstelling geacht onpartijdig te zijn; afwijking vereist een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid.
- 2Wraking is geen verkapt rechtsmiddel tegen een procesbeslissing; de wrakingskamer beoordeelt niet de juistheid van procesbeslissingen.
- 3Een procesbeslissing kan slechts tot wraking leiden als de motivering objectief bezien niet anders kan worden verstaan dan als blijk van partijdigheid.
- 4De afwijzing van het aanhoudingsverzoek voldoet niet aan die verhoogde drempel.
- 5De vrees voor vooringenomenheid moet objectief gerechtvaardigd zijn; subjectieve gevoelens van de verzoeker zijn onvoldoende.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste wrakingsjurisprudentie dat procesbeslissingen alleen tot wraking kunnen leiden bij een objectief aantoonbare blijk van partijdigheid in de motivering, en niet louter op grond van ontevredenheid over de beslissing zelf.
Praktische impact
Verzoekers in bestuursrechtelijke procedures kunnen niet via een wrakingsverzoek een aanhoudingsbeslissing aanvechten; zij zullen de zitting moeten bijwonen of andere rechtsmiddelen aanwenden.
Onderwerp-impact
In AWBZ/zorgkantoor-gerelateerde procedures onderstreept deze uitspraak dat processuele bezwaren over planning en stukkenuitwisseling via reguliere procedurele wegen moeten worden aangekaart, niet via wraking.
Samenvatting
In deze procedure bij de Centrale Raad van Beroep diende een verzoeker in een AWBZ-zaak een wrakingsverzoek in tegen de behandelend rechter. Aanleiding was de afwijzing van zijn verzoek tot aanhouding van de zitting. Verzoeker voelde zich benadeeld omdat zijn advocaat door de gekozen datum en het tijdstip van de zitting niet aanwezig kon zijn, en omdat het zorgkantoor kort voor de zitting nieuwe stukken had ingediend, waardoor een goede voorbereiding werd bemoeilijkt. Hij concludeerde hieruit dat de rechter partijdig was. De wrakingskamer toetst aan de maatstaf dat een rechter op grond van zijn aanstelling wordt geacht onpartijdig te zijn. Afwijking van dit uitgangspunt is slechts mogelijk indien sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid die een zwaarwegende en objectief gerechtvaardigde aanwijzing vormt voor vooringenomenheid. Subjectieve gevoelens van de verzoeker zijn daarvoor onvoldoende. De kamer stelt voorop dat de afwijzing van het aanhoudingsverzoek een procesbeslissing is. Wraking mag niet worden ingezet als verkapt rechtsmiddel tegen dergelijke beslissingen. De wrakingskamer beoordeelt niet de inhoudelijke juistheid van procesbeslissingen. Alleen wanneer de motivering van een procesbeslissing naar objectieve maatstaven – bijvoorbeeld door de gebruikte bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als een uiting van partijdigheid, kan dit grond opleveren voor toewijzing van het wrakingsverzoek. Aan die verhoogde drempel wordt in dit geval niet voldaan. Wat verzoeker heeft aangevoerd levert geen objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid op. Het wrakingsverzoek wordt dan ook afgewezen. De uitspraak bevestigt de lijn in de rechtspraak dat ontevredenheid over een procesbeslissing en het gevoel buitenspel te zijn gezet, hoe begrijpelijk ook, niet volstaan als grond voor wraking.