UWV veroordeeld in proceskosten na tegemoetkoming WIA-bezwaar
ECLI:NL:CRVB:2026:969, Centrale Raad van Beroep, 15-07-2026, 25/356 WIA
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep.
Kern van de zaak
Twee appellanten voerden hoger beroep tegen UWV over WIA-beslissingen. Na gewijzigde beslissingen op bezwaar van 9 maart 2026 trokken zij de hoger beroepen in en verzochten om veroordeling van UWV in de proceskosten van beroep en hoger beroep.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep veroordeelt UWV in de proceskosten van in totaal € 3.736,- voor rechtsbijstand, plus vergoeding van griffierecht. Het verzoek om vergoeding van de eigen bijdrage toevoeging wordt afgewezen, omdat het Besluit proceskosten bestuursrecht daarin niet voorziet.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een routinematige proceskostenbeslissing na intrekking van hoger beroep en past gevestigde regels toe zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden of precedenten te stellen.
Belangrijkste punten
- 1UWV is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellanten via gewijzigde beslissingen op bezwaar, wat aanleiding geeft tot proceskostenveroordeling op grond van art. 8:75a Awb jo. art. 8:108 Awb
- 2Proceskosten beroep: € 2.802,- op basis van 3 punten (beroepschrift, zitting, schriftelijke inlichtingen, nadere zitting) à € 934,- per punt
- 3Proceskosten hoger beroep: € 934,- voor het indienen van het hoger beroepschrift
- 4De zaken worden aangemerkt als samenhangend in de zin van art. 3 Bpb, waardoor gezamenlijke begroting plaatsvindt
- 5Eigen bijdrage toevoeging rechtsbijstand komt niet voor vergoeding in aanmerking wegens limitatieve opsomming in de bijlage bij het Bpb
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat de eigen bijdrage voor een toevoeging niet via het Bpb vergoed kan worden, nu de bijlage een limitatieve opsomming bevat van vergoedbare proceshandelingen. Dit heeft geen vernieuwende precedentwerking maar herhaalt een bekende uitleg van het Bpb.
Praktische impact
UWV dient appellanten € 3.736,- aan proceskosten te vergoeden, naast vergoeding van het griffierecht in beroep en hoger beroep. Appellanten ontvangen geen vergoeding voor de eigen bijdrage toevoeging, wat een financieel nadeel blijft voor rechtzoekenden met een toevoeging.
Onderwerp-impact
In WIA-geschillen waarbij UWV naderhand tegemoetkomt, worden proceskostenveroordeling en griffierechtverstrekking standaard toegepast; de eigen bijdrage toevoeging blijft buiten beschouwing van het vergoedingsstelsel.
Samenvatting
In deze zaak hadden twee appellanten hoger beroep ingesteld tegen beslissingen van het UWV in het kader van de WIA. Op 9 maart 2026 nam het UWV gewijzigde beslissingen op bezwaar waarmee het volledig tegemoetkwam aan de bezwaren van appellanten. Daarop trokken appellanten hun hoger beroepen in en verzochten de Centrale Raad van Beroep om het UWV te veroordelen in de proceskosten die zij in beroep en hoger beroep hadden gemaakt. De Centrale Raad van Beroep oordeelde op grond van artikel 8:75a, eerste lid, Awb – van overeenkomstige toepassing verklaard op het hoger beroep via artikel 8:108 Awb – dat het UWV als tegemoetkomend bestuursorgaan in de proceskosten dient te worden veroordeeld. Omdat het UWV al de kosten in de bezwaarfase had vergoed, hoefde de Raad alleen nog de kosten in beroep en hoger beroep te begroten. De zaken werden als samenhangend aangemerkt in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De kosten in beroep werden begroot op € 2.802,- (punten voor beroepschrift, zitting, schriftelijke inlichtingen en nadere zitting, à € 934,- per punt) en in hoger beroep op € 934,- voor het indienen van het hoger beroepschrift, samen € 3.736,-. Daarnaast dient het UWV het betaalde griffierecht te vergoeden. Het verzoek om vergoeding van de eigen bijdrage voor de toevoeging rechtsbijstand wees de Raad af. De bijlage bij het Bpb bevat een limitatieve opsomming van vergoedbare proceshandelingen, en de eigen bijdrage voor een toevoeging is daarin niet opgenomen. Deze overweging is vaste jurisprudentie en stelt geen nieuw recht. De beslissing is daarmee administratief van aard, met beperkte bredere juridische impact.