JurispRadar
ECLI:NL:CRVB:2026:968Laag18/100

Hoger beroep WIA afgewezen: geen verslechtering aangetoond

ECLI:NL:CRVB:2026:968, Centrale Raad van Beroep, 15-07-2026, 25/1893 WIA-PV

Centrale Raad van BeroepUitspraak: 15 juli 2026Publicatie: 27 juli 2026
Zaaknummer:25/1893 WIA-PV
Bestuursprocesrecht
Socialezekerheidsrecht
Overheid
Zorg
Wia
Arbeidsongeschiktheid
Uwv
E 213 Formulier
Buitenlandse Arbeidsdeskundige

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Het hoger beroep van appellant uitsluitend is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit van 11 augustus 2022 in stand blijven. Herhaling gronden. Bevestiging uitspraak rechtbank.

Kern van de zaak

Een appellant vecht een UWV-besluit aan over zijn WIA-uitkering en stelt dat zijn klachten en beperkingen zijn verslechterd op de data 21 september 2020 en 29 april 2021. Het UWV had het bestreden besluit van 11 augustus 2022 laten vernietigen, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten. Appellant gaat in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. De doorslaggevende reden is dat een Spaanse arts in haar rapport van 13 maart 2023 heeft vastgesteld dat de klachten en beperkingen van appellant sinds oktober 2018 niet zijn veranderd, waardoor de gestelde verslechtering op de data in geding niet is aangetoond.

18van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een enkelvoudige kamer-uitspraak in een individuele WIA-zaak zonder nieuwe rechtsvragen; de Raad herhaalt en bevestigt slechts het oordeel van de rechtbank zonder nieuwe rechtsnormen te stellen.

Belangrijkste punten

  • 1Hoger beroep richt zich uitsluitend tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 11 augustus 2022.
  • 2De Spaanse arts van het Instituto Nacional de la Seguridad Social heeft via een E-213 formulier gerapporteerd dat de klachten en beperkingen ongewijzigd zijn gebleven sinds haar vorige rapport van 19 oktober 2018.
  • 3De data in geding (21 september 2020 en 29 april 2021) vallen binnen de periode 19 oktober 2018 tot 13 maart 2023, waardoor het rapport ook deze periode bestrijkt.
  • 4De gronden in hoger beroep zijn een herhaling van gronden uit de eerste aanleg; de Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank volledig.
  • 5Appellant ontvangt geen proceskostenvergoeding en krijgt het griffierecht niet terug.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat medische rapportages via het E-213 formulier door buitenlandse verzekeringsartsen voldoende grondslag kunnen bieden voor beoordeling van periodes die niet expliciet in het rapport worden genoemd, mits de periode in geding binnen het beoordeelde tijdvak valt.

Praktische impact

Appellant behoudt geen recht op een hogere of gewijzigde WIA-uitkering op basis van de gestelde verslechtering, en draagt de proceskosten zelf.

Onderwerp-impact

Voor WIA-gerechtigden in het buitenland bevestigt deze uitspraak dat UWV bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid kan steunen op periodieke medische rapportages door buitenlandse artsen, ook wanneer die niet elke specifieke datum afzonderlijk benoemen.

Samenvatting

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in het hoger beroep van een appellant tegen een beslissing van het UWV over zijn WIA-uitkering. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 11 augustus 2022 in stand heeft gelaten. Appellant stelt dat zijn klachten en beperkingen zijn verslechterd op de refertedata 21 september 2020 en 29 april 2021, en dat het UWV hier ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het hoger beroep niet slaagt. De gronden die appellant in hoger beroep aanvoert zijn een herhaling van hetgeen al bij de rechtbank naar voren was gebracht, en de Raad onderschrijft het oordeel en de overwegingen van de rechtbank volledig. Cruciaal in de beoordeling is het rapport van een Spaanse arts van het Instituto Nacional de la Seguridad Social, opgemaakt via een E-213 formulier op 13 maart 2023. Deze arts heeft appellant op 9 maart 2023 gezien op verzoek van het UWV. Hoewel zij de specifieke data 21 september 2020 en 29 april 2021 niet expliciet heeft benoemd, heeft zij wel vastgesteld dat de klachten en beperkingen van appellant niet zijn veranderd ten opzichte van haar vorige rapport van 19 oktober 2018. Omdat beide data in geding binnen het tijdvak van 19 oktober 2018 tot 13 maart 2023 vallen, volgt hieruit dat ook op die momenten geen sprake was van de gestelde verslechtering. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Appellant heeft geen recht op vergoeding van proceskosten en krijgt het betaalde griffierecht niet terug. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer en heeft een beperkte precedentwerking.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 3 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1439Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1439, Hoge Raad, 11-09-2026, 25/03570

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
18/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1460Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1460, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00512

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
5/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1448Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1448, Hoge Raad, 11-09-2026, 25/02255

Hoge Raad11 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1466Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1466, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/01038

Hoge Raad11 sep 2026ZorgFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen