ECLI:NL:RBZWB:2026:5159, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 11-06-2026, 25/3147
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)tot en met 25/3150. Belanghebbende heeft in zijn aangiften voor de jaren 2016 tot en met 2019 verzocht om aftrek elders belast voor het volledige inkomen dat toerekenbaar is aan zijn werkzaamheden in Duitsland. In geschil is of belanghebbende voor de werkzaamheden ten behoeve van GmbH een vergoeding ontvangt van een werkgever in Duitsland in de zin van artikel 14 van het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland. De rechtbank is van oordeel dat het OESO-commentaar van 22 juli 2010 van grote betekenis is voor de beantwoording van de vraag of GmbH op grond van het belastingverdrag als werkgever kan worden aangemerkt. Gelet op de aard van de werkzaamheden van belanghebbende in zijn hoedanigheid van CEO acht de rechtbank aannemelijk dat deze werkzaamheden integraal onderdeel uitmaken van de door GmbH gedreven onderneming. Dit betekent dat is voldaan aan de zogenoemde ‘integration test’ maar daarmee staat nog niet vast dat sprake is van materieel werkgeverschap. Volgens het OESO-commentaar (onderdeel 8.14) moeten daarvoor ook andere factoren worden beoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat GmbH op basis van deze factoren als materiële werkgever kan worden aangemerkt. De door belanghebbende overgelegde stukken bieden hiervoor onvoldoende onderbouwing. Dit betekent dat belanghebbende geen recht heeft op een hogere voorkoming van dubbele belasting. De beroepen zijn daarom ongegrond.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.