ECLI:NL:RBROT:2026:4918, Rechtbank Rotterdam, 23-04-2026, 12009485 CV EXPL 25-4982
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)(Pre)contractuele verplichtingen; overeenkomst op afstand tussen een handelaar en een consument; artikelen 6:230m en 6:230v BW; Is er sprake van een kredietovereenkomst bij keuze achterafbetaling; ‘buy now pay later’; informatieplichten artikelen 7:60 BW en 7:61 BW en artikel 4:34 van de Wet op het financieel toezicht (Wft): kredietwaardigheidstoets; In artikel 7:58 lid 2 BW zijn een aantal uitzonderingen opgenomen waarop die consumentenbeschermende bepalingen niet van toepassing zijn. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geoordeeld dat kredietovereenkomsten zoals de in deze zaak gesloten kredietovereenkomst in beginsel onder genoemde uitzondering vallen. Dit kan weer anders zijn (dus een uitzondering op de uitzondering) als de kredietverstrekker er, teneinde een economisch voordeel te verkrijgen, vanaf de sluiting van de kredietovereenkomst op anticipeert dat de consument de betalingsverplichting niet zal nakomen. Met andere woorden, in het geval de bedongen kosten (zoals de rente en buitengerechtelijke kosten ongeacht of deze verschuldigd zijn op grond van de wet of de overeenkomst) deel uitmaken van het verdienmodel van de kredietverstrekker. Vervolgens heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij de beoordeling of zich het hiervoor bedoelde geval voordoet, de rechter alle omstandigheden rond de sluiting van de kredietovereenkomst en andere relevante factoren dient te onderzoeken, zoals met name de wettelijke dan wel contractuele aard van de rente en de kosten van niet-nakoming, de termijnen waarbinnen die rente en kosten opeisbaar worden en het bedrag van deze rente en kosten; eiser in de gelegenheid stellen om te onderbouwen dat het door haar verleende krediet valt onder de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 BW en daarbij aan te tonen dat zij voldoet aan de regels om voor deze uitzondering in aanmerking te komen onder andere door uit te laten over het verdienmodel. Als de kantonrechter tot het oordeel komt dat de kredietovereenkomst niet is uitgezonderd van het toepassingsgebied van titel 7.2A BW, dan zal ambtshalve moeten worden getoetst of de informatieplichten van de artikelen 7:60 en 7:61 BW zijn nageleefd en of de in artikel 4:34 Wft bedoelde kredietwaardigheidstoets is uitgevoerd. Als daar niet aan is voldaan, of als Coeo er niet in slaagt aan te tonen dat daaraan is voldaan, zal de kantonrechter daar, eveneens ambtshalve, consequenties aan verbinden.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.