ECLI:NL:RBNNE:2026:1785, Rechtbank Noord-Nederland, 07-05-2026, LEE 25/985
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Accijns. De rechtbank van oordeel dat het schip van eiseres kennelijk niet wordt gebruikt om te varen. Dat betekent dat eiseres de vrijstelling van artikel 66, eerste lid van de Wet op de accijns niet kan toepassen. Het beoogde gebruik van het schip op basis van het contract was het huisvesting, en niet het varen met het schip met personen of goederen aan boord. Eiseres treedt in deze periode daarmee dus ook niet in concurrentie met varende schepen in de commerciële scheepvaart, maar met partijen die voorzien in (tijdelijke) huisvestingslocaties. De huisvesting heeft ook feitelijk plaatsgevonden. Dat het schip, zoals eiseres heeft gesteld, nadat de (tijdelijke) huisvesting is gestopt gelijk weer in de vaart genomen kan worden, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Het woord ‘kennelijk’ brengt niet met zich mee dat enkel uit de uiterlijke verschijningsvorm moet blijken dat het schip kennelijk niet gebruikt wordt om mee te varen. De omstandigheden waaronder het schip wordt verhuurd en in gebruik is genomen, moeten eveneens worden meegenomen in deze beoordeling. Het feit dat eiseres zich heeft verbonden om gedurende een langere periode, waaronder de periode waarop de naheffingsaanslag ziet, in huisvesting te voorzien op het schip waarbij eveneens de afspraak is gemaakt om het schip daarbij af te meren op een vaste ligplaats, brengt met zich dat het schip kennelijk niet wordt gebruikt om te varen. De rechtbank ziet in de praktische bezwaren van eiseres, wat daar ook van zij, ook geen reden om te oordelen dat de vrijstelling alsnog moet worden toegepast. Het beroep is ongegrond. De bijlage van deze uitspraak is opgenomen in ECLI:NL:RBNNE:2026:1784.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.