JurispRadar
ECLI:NL:RBDHA:2026:30074Laag22/100

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op nareisaanvraag

ECLI:NL:RBDHA:2026:30074, Rechtbank Den Haag, 25-08-2026, NL26.27473

Rechtbank Den HaagUitspraak: 25 augustus 2026Publicatie: 12 oktober 2026
Procedure:Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer:NL26.27473
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Vergunningen
Niet Tijdig Beslissen
Dwangsom
Ingebrekestelling
Gezinshereniging
Nareis

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinshereniging nareis asiel en een mvv voor verblijf voor gezinshereniging nareis asiel - artikel 8 EVRM Dictum: Gegrond

Kern van de zaak

Een vreemdeling heeft een aanvraag ingediend voor gezinshereniging (nareis asiel) en een mvv op grond van artikel 8 EVRM. De minister heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn (90 dagen, verlengd met drie maanden) een besluit genomen. Na een rechtsgeldige ingebrekestelling en het uitblijven van een besluit heeft eiser beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen.

Beslissing van de rechter

Het beroep is gegrond verklaard en het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit is vernietigd. De doorslaggevende reden is dat de minister de beslistermijn heeft overschreden en na ingebrekestelling nog steeds geen besluit heeft genomen. De minister krijgt acht weken om alsnog te beslissen, met een dwangsom van € 50 per dag bij verdere vertraging.

22van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een routinematige niet-tijdig-beslissen-zaak in het vreemdelingenrecht die geen nieuwe rechtsvragen stelt en aansluit bij bestaande jurisprudentie; de uitkomst is procedureel van aard en heeft geen bredere precedentwerking.

Belangrijkste punten

  • 1De beslistermijn van 90 dagen (verlengbaar met drie maanden) was verstreken zonder dat de minister een besluit had genomen.
  • 2Eiser heeft de minister rechtsgeldig in gebreke gesteld en meer dan twee weken daarna beroep ingesteld, conform artikel 6:12 Awb.
  • 3De rechtbank past de uitgangspunten toe van de uitspraak van 17 maart 2023 (zittingsplaats Arnhem) over passende beslistermijnen bij nareisaanvragen.
  • 4Bij het uitblijven van een verweerschrift acht de rechtbank een termijn van acht weken passend, met een uitlooptermijn van twintig weken als nader onderzoek wordt aangeboden.
  • 5Bij overschrijding van de opgelegde termijn verbeurt de minister een dwangsom van € 50 per dag.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat bij nareiszaken een afwijkende (langere) beslistermijn wordt gehanteerd ten opzichte van de standaard twee weken, en dat rechters hierbij aansluiten bij de in 2023 geformuleerde uitgangspunten. Dit biedt een procedureel kader voor vergelijkbare niet-tijdig-beslissen-zaken in het vreemdelingenrecht.

Praktische impact

De minister is gehouden binnen acht weken een besluit te nemen of nader onderzoek aan te bieden; bij verdere vertraging loopt de overheid een dwangsom op van € 50 per dag. Voor eiser betekent dit dat zijn aanvraag voor gezinshereniging op korte termijn inhoudelijk moet worden behandeld.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenrechtelijke procedures over nareis en gezinshereniging wordt de druk op de IND vergroot om binnen redelijke termijnen te beslissen, waarbij de rechter concrete handhavingsmechanismen (dwangsommen) inzet.

Samenvatting

In deze zaak bij de Rechtbank Den Haag staat de vraag centraal of de minister van Justitie en Veiligheid onrechtmatig heeft verzuimd tijdig te beslissen op een aanvraag voor gezinshereniging (nareis asiel) en een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) op grond van artikel 8 EVRM. Voor aanvragen ingediend vóór 28 maart 2025 geldt een beslistermijn van 90 dagen, die de minister met maximaal drie maanden kan verlengen. De minister heeft van die verlengingsbevoegdheid gebruik gemaakt, maar ook na de verlengde termijn geen besluit genomen. Eiser heeft de minister vervolgens schriftelijk in gebreke gesteld en, nadat twee weken waren verstreken zonder besluit, beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit in de zin van artikel 6:2, onder b, juncto artikel 6:12 Awb. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en dat de ingebrekestelling rechtsgeldig is. Omdat de minister geen verweerschrift heeft ingediend en daardoor onduidelijk is wanneer alsnog een besluit zal worden genomen, acht de rechtbank de standaardtermijn van twee weken niet passend. Zij sluit aan bij de uitspraak van 17 maart 2023 van deze rechtbank (zittingsplaats Arnhem), waarin is geoordeeld dat nareiszaken een bijzonder geval vormen en waarin uitgangspunten zijn geformuleerd voor een passende beslistermijn. Op basis hiervan wordt de minister opgedragen binnen acht weken na verzending van de uitspraak een besluit bekend te maken. Indien de minister besluit tot nader onderzoek en dit tijdig aan eiser meedeelt, geldt een verlengde termijn van twintig weken. Bij overschrijding van deze termijnen verbeurt de minister een dwangsom van € 50 per dag. Het beroep wordt gegrond verklaard en het fictieve weigeringsbesluit vernietigd.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 12 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

Hoge Raad·9 okt 2026
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1646

Hoge Raad verwerpt cassatie tegen gemeente Best

8/100Bekijk
Rechtbank Den Haag·9 okt 2026
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:RBDHA:2026:29845

Zwaar inreisverbod tien jaar na MDMA-smokkel gehandhaafd

28/100Bekijk
Hoge Raad·9 okt 2026
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1645

Hoge Raad verwerpt cassatie tegen gemeente Best

8/100Bekijk
Hoge Raad·9 okt 2026
Bestuursrecht
Belastingrecht
Overheid
Vastgoed
ECLI:NL:HR:2026:1629

Hoge Raad: geen tariefdifferentiatie binnen OZB-categorieën toegestaan

68/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied