JurispRadar
ECLI:NL:RBDHA:2026:30070Laag18/100

Minister verplicht alsnog te beslissen op aanvraag onder dwangsom

ECLI:NL:RBDHA:2026:30070, Rechtbank Den Haag, 25-08-2026, NL26.27990

Rechtbank Den HaagUitspraak: 25 augustus 2026Publicatie: 12 oktober 2026
Procedure:Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer:NL26.27990
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
Niet Tijdig Beslissen
Dwangsom
Beslistermijn
Fictief Besluit
Beroep Gegrond

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Herhaald beroep niet tijdig beslissen op de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinshereniging nareis asiel + 8 EVRM. Dictum: Gegrond

Kern van de zaak

Een eiser heeft beroep ingesteld bij de Rechtbank Den Haag omdat de minister niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag. De beslistermijn van 90 dagen, eventueel verlengd met drie maanden, was reeds verstreken. Een eerdere rechterlijke uitspraak van 5 juni 2025 had al een expliciete termijn gesteld, die de minister eveneens had laten verlopen.

Beslissing van de rechter

Het beroep is gegrond verklaard: de rechtbank vernietigt het fictieve weigeringsbesluit wegens niet tijdig beslissen en draagt de minister op binnen twee weken alsnog een besluit te nemen, op straffe van een dwangsom van € 50,- per dag met een maximum van € 15.000,-. Doorslaggevend is dat de minister een door de bestuursrechter gestelde en reeds verstreken termijn heeft genegeerd zonder verweerschrift of duidelijkheid over het tijdstip van beslissen.

18van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een routinematige niet-tijdig-beslissen-zaak zonder nieuwe rechtsvragen; de uitkomst is volledig in lijn met vaste bestuursrechtelijke praktijk en gepubliceerde aanbevelingen.

Belangrijkste punten

  • 1Voor aanvragen ingediend vóór 28 maart 2025 geldt een beslistermijn van 90 dagen, verlengbaar met maximaal drie maanden.
  • 2Een ingebrekestelling was niet vereist omdat de bestuursrechter al eerder een uitdrukkelijke termijn had gesteld die was verstreken.
  • 3Het beroep is kennelijk gegrond verklaard zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb.
  • 4Dwangsom vastgesteld op € 50,- per dag bij overschrijding van de nieuwe beslistermijn, met een maximum van € 15.000,-, conform geldende aanbeveling.
  • 5Minister vergoedt griffierecht (€ 200,-) en proceskosten (€ 467,-).

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat een eerder door de bestuursrechter gestelde beslistermijn de ingebrekes­tellingsverplichting vervangt en dat bij herhaaldelijk niet-beslissen een dwangsom kan worden opgelegd conform de standaard aanbeveling. Dit is een toepassing van vaste lijn in niet-tijdig-beslissen-jurisprudentie.

Praktische impact

De minister moet binnen twee weken een besluit nemen op de aanvraag, anders loopt hij op tot € 15.000,- aan dwangsommen. De eiser ontvangt bovendien volledige proceskosten­vergoeding en restitutie van griffierecht.

Onderwerp-impact

Voor bestuursrechtelijke procedures jegens de overheid bevestigt dit dat herhaalde termijnoverschrijdingen na een rechterlijke aanmaning leiden tot directe ontvankelijkheid van een nieuw beroep en oplegging van dwangsommen zonder verdere formaliteiten.

Samenvatting

In deze zaak bij de Rechtbank Den Haag stond de vraag centraal of de minister onrechtmatig heeft nagelaten tijdig te beslissen op een aanvraag van eiser. Op grond van de toepasselijke regelgeving gold voor aanvragen ingediend vóór 28 maart 2025 een beslistermijn van 90 dagen na indiening, eventueel te verlengen met maximaal drie maanden. De minister had van deze verlengingsbevoegdheid gebruik gemaakt, maar had ook na het verstrijken van die verlengde termijn geen besluit genomen. Bovendien had de bestuursrechter in een eerdere uitspraak van 5 juni 2025 al uitdrukkelijk een termijn gesteld waarbinnen de minister moest beslissen. Ook die termijn liet de minister ongebruikt voorbijgaan, zonder een verweerschrift in te dienen of anderszins duidelijkheid te verschaffen over wanneer een besluit zou volgen. De rechtbank oordeelde dat onder deze omstandigheden geen ingebrekestelling van eiser was vereist om het beroep ontvankelijk te maken: de eerdere rechterlijke termijnstelling verving die verplichting. Omdat vaststond dat de minister wederom in gebreke was gebleven, was het beroep kennelijk gegrond. De rechtbank vernietigde het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit en droeg de minister op binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekend te maken. Om naleving te waarborgen verbond de rechtbank aan de uitspraak een dwangsom van € 50,- per dag vertraging, met een maximum van € 15.000,-, overeenkomstig de daarvoor geldende aanbeveling. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van € 200,- en de proceskosten van € 467,-. De uitspraak is een standaardtoepassing van het bestuursrechtelijke kader voor niet-tijdig beslissen en bevestigt dat herhaalde termijnoverschrijdingen na een expliciete rechterlijke aanmaning direct tot gegrondverklaring en dwangsomveroordeling leiden.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 12 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

Hoge Raad·9 okt 2026
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1646

Hoge Raad verwerpt cassatie tegen gemeente Best

8/100Bekijk
Rechtbank Den Haag·9 okt 2026
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:RBDHA:2026:29845

Zwaar inreisverbod tien jaar na MDMA-smokkel gehandhaafd

28/100Bekijk
Hoge Raad·9 okt 2026
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1645

Hoge Raad verwerpt cassatie tegen gemeente Best

8/100Bekijk
Hoge Raad·9 okt 2026
Bestuursrecht
Belastingrecht
Overheid
Vastgoed
ECLI:NL:HR:2026:1629

Hoge Raad: geen tariefdifferentiatie binnen OZB-categorieën toegestaan

68/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied