Beroep Marokkaan tegen terugkeerbesluit na tijdelijke bescherming ongegrond
ECLI:NL:RBDHA:2026:30067, Rechtbank Den Haag, 05-10-2026, NL24.9063
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)terugkeerbesluit; derdelander Oekraïne; Richtlijn Tijdelijke Bescherming; hoorplicht; artikel 3 EVRM; artikel 8 EVRM; ogg; beroep tegen eerder terugkeerbesluit n-o; wel pkv.
Kern van de zaak
Een Marokkaanse man die in Oekraïne verbleef vluchtte na de Russische invasie van februari 2022 naar Nederland en verkreeg facultatieve tijdelijke bescherming. Na het van rechtswege eindigen van die bescherming op 4 maart 2024 werd hem een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser vocht zowel het eerste als het tweede terugkeerbesluit aan bij de rechtbank.
Beslissing van de rechter
Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 is niet-ontvankelijk verklaard; het beroep tegen het terugkeerbesluit van 4 augustus 2025 is ongegrond verklaard. Verweerder wordt veroordeeld in proceskosten van € 934,- voor het niet-ontvankelijke beroep. De doorslaggevende reden is dat de tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege is geëindigd op 4 maart 2024 conform de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een individuele toepassing van reeds vaststaande jurisprudentie (Afdeling 17 januari 2024) en beleid; zij voegt geen nieuwe rechtsnorm toe en heeft beperkte precedentwaarde buiten vergelijkbare individuele gevallen.
Belangrijkste punten
- 1Eiser is Marokkaans onderdaan die in Oekraïne tijdelijk verbleef en na de Russische invasie (24 februari 2022) facultatieve tijdelijke bescherming in Nederland verkreeg op grond van de RTB (Richtlijn 2001/55/EG en Uitvoeringsbesluit 2022/382).
- 2De asielaanvraag werd bij besluit van 1 juni 2023 buiten behandeling gesteld; dit besluit staat onherroepelijk vast.
- 3De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde op 17 januari 2024 dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege eindigde op 4 maart 2024.
- 4Het beroep tegen het eerste terugkeerbesluit (21 februari 2024) is niet-ontvankelijk; dat tegen het tweede (4 augustus 2025) is ongegrond.
- 5De rechtbank toetst mede aan artikel 8 EVRM, maar komt tot de conclusie dat het terugkeerbesluit van 4 augustus 2025 standhoudende is.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de Afdelingsuitspraak van 17 januari 2024 op individuele zaken van derdelanders die facultatieve tijdelijke bescherming genoten: na 4 maart 2024 resteert geen beschermingsstatus en kan een terugkeerbesluit worden uitgevaardigd. De EVRM-toets (art. 8) biedt in dit geval geen succesvol verweer.
Praktische impact
Voor eiser betekent de uitspraak dat hij Nederland dient te verlaten; de tijdelijke bescherming biedt geen grondslag meer voor verblijf. Voor andere Marokkaanse (en vergelijkbare) derdelanders die via Oekraïne in Nederland kwamen, bevestigt dit vonnis dat hun rechtspositie na 4 maart 2024 is beëindigd.
Onderwerp-impact
De zaak illustreert de afbouw van de tijdelijke beschermingsregeling voor niet-Oekraïense onderdanen die voor de invasie in Oekraïne verbleven, en de wijze waarop terugkeerbesluiten na beëindiging van die bescherming worden gehandhaafd.
Samenvatting
Deze zaak betreft een Marokkaanse man die vóór de Russische invasie van Oekraïne op 24 februari 2022 aldaar een tijdelijke verblijfsvergunning had. Na zijn vlucht naar Nederland verkreeg hij facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (2001/55/EG) en het bijbehorende EU-uitvoeringsbesluit van 4 maart 2022. Zijn asielaanvraag werd op 1 juni 2023 buiten behandeling gesteld en hij heeft daartegen geen rechtsmiddel aangewend, zodat dit besluit onherroepelijk is. Verweerder trachtte de tijdelijke bescherming eerder te beëindigen per 4 september 2023, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde op 17 januari 2024 dat zulks niet rechtsgeldig was. De Afdeling stelde tevens vast dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege eindigde op 4 maart 2024. Verweerder informeerde eiser hierover bij brief van 24 januari 2024. Vervolgens werden twee terugkeerbesluiten genomen: één op 21 februari 2024 en één op 4 augustus 2025. De rechtbank Den Haag verklaart het beroep tegen het eerste terugkeerbesluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede ongegrond. De rechtbank heeft daarbij ook getoetst aan artikel 8 EVRM (recht op privé- en familieleven), maar deze toets leidt niet tot een andere uitkomst. Verweerder wordt wel veroordeeld in de proceskosten van € 934,- voor het niet-ontvankelijke beroep. De uitspraak bevestigt daarmee de lijn dat derdelanders die enkel via een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne aanwezig waren en facultatieve tijdelijke bescherming in Nederland hadden, na 4 maart 2024 geen verblijfsgrondslag meer hebben en aan een terugkeerverplichting zijn onderworpen.