Minister verplicht alsnog te beslissen op aanvraag met dwangsom
ECLI:NL:RBDHA:2026:30056, Rechtbank Den Haag, 25-08-2026, NL26.27274
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Herhaald beroep niet tijdig beslissen op de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinshereniging nareis asiel + 8 EVRM. Dictum: Gegrond
Kern van de zaak
Een eiser heeft beroep ingesteld bij de Rechtbank Den Haag omdat de minister niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag. Een eerdere rechtbankuitspraak van 12 september 2025 had al een expliciete beslistermijn gesteld, die de minister eveneens onbenut heeft laten verstrijken. De zaak betreft een beroep wegens niet tijdig beslissen op grond van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslissing van de rechter
Het beroep is gegrond verklaard: de rechtbank heeft het niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en de minister opgedragen binnen twee weken alsnog een besluit te nemen. Doorslaggevend is dat de minister ondanks een eerder rechterlijk bevel nog steeds geen besluit heeft genomen, waarbij de afwezigheid van een ingebrekestelling de ontvankelijkheid niet in de weg staat vanwege de reeds gestelde rechterlijke termijn.
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige beroep-niet-tijdig-beslissen-zaak die bestaande jurisprudentie toepast; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en de zaak heeft beperkte precedentwerking buiten de specifieke feitelijke context.
Belangrijkste punten
- 1Ingebrekestelling niet vereist als rechter eerder al een uitdrukkelijke, verstreken beslistermijn heeft gesteld (ECLI:NL:RVS:2025:5787)
- 2Beroep wegens niet tijdig beslissen is kennelijk gegrond bij onbetwist uitblijven van een besluit
- 3Dwangsom van € 50,- per dag bij overschrijding, met een maximum van € 15.000,-, conform geldende aanbeveling
- 4Minister dient binnen twee weken na verzending van de uitspraak een besluit te nemen
- 5Griffierecht (€ 200,-) en proceskosten (€ 467,-) worden vergoed door de minister
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een eerder rechterlijk bevel tot beslissen de ingebrekestellingsvereiste vervangt, in lijn met de Raad van State-jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2025:5787). Dit versterkt de rechtsbescherming bij herhaald stilzitten van bestuursorganen.
Praktische impact
De minister is nu gehouden binnen twee weken een besluit te nemen op straffe van een dwangsom van maximaal € 15.000,-; eiser ontvangt tevens zijn proceskosten en griffierecht terug.
Onderwerp-impact
Voor aanvragers in bestuurlijke procedures biedt deze uitspraak een duidelijk precedent: herhaald niet-beslissen na een rechterlijk bevel leidt direct tot een ontvankelijk en gegrond beroep zonder nieuwe ingebrekestelling.
Samenvatting
In deze zaak bij de Rechtbank Den Haag heeft een eiser beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit door de minister op zijn aanvraag. De achtergrond is opmerkelijk: de rechtbank had in een eerdere uitspraak van 12 september 2025 (zaaknummer NL25.27714) al een expliciete beslistermijn opgelegd, die de minister eveneens onbenut liet verstrijken. De centrale juridische vraag was of het beroep ontvankelijk was ondanks het ontbreken van een formele ingebrekestelling, en zo ja, welke maatregelen passend zijn. De rechtbank beantwoordt de ontvankelijkheidsvraag bevestigend. Op grond van artikel 6:12 Awb is een ingebrekestelling in beginsel vereist voordat beroep wegens niet tijdig beslissen kan worden ingesteld. De rechtbank overweegt echter, met verwijzing naar ECLI:NL:RVS:2025:5787, dat een ingebrekestelling achterwege kan blijven als de bestuursrechter eerder al een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken beslistermijn heeft gesteld. Nu dat hier het geval is, is het beroep ontvankelijk. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat de minister ook de rechterlijk opgelegde termijn heeft laten verlopen zonder een besluit te nemen. Het beroep is daarmee kennelijk gegrond. Bij gebreke van een verweerschrift – waardoor onduidelijk is wanneer de minister wél gaat beslissen – acht de rechtbank een termijn van twee weken na verzending van de uitspraak passend. Aan overschrijding van die termijn verbindt de rechtbank een dwangsom van € 50,- per dag, met een maximum van € 15.000,-, conform de geldende rechterlijke aanbeveling. De rechtbank vernietigt het met een besluit gelijkgestelde niet tijdig beslissen, draagt de minister op binnen twee weken alsnog een besluit te nemen, en veroordeelt de minister tot vergoeding van het griffierecht (€ 200,-) en de proceskosten (€ 467,-). De uitspraak illustreert dat herhaald stilzitten van bestuursorganen na rechterlijk ingrijpen leidt tot directe sanctionering via dwangsommen.