Mvv gezinshereniging Turkse dochter bij kennismigrant afgewezen
ECLI:NL:RBDHA:2026:29813, Rechtbank Den Haag, 02-10-2026, NL24.35289
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Mvv – dochter van Turkse kennismigrant – Geen strijd met het Turks Associatierecht of het Unierecht – Belangenafweging artikel 8 EVRM. Beroep ongegrond.
Kern van de zaak
Een Turkse vader met verblijfsvergunning als kennismigrant in Nederland vroeg een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan voor zijn meerderjarige dochter (geboren 2002) op grond van artikel 8 EVRM (familieleven). De aanvraag werd aanvankelijk buiten behandeling gelaten wegens niet-betaling van leges, maar na alsnog betaling inhoudelijk beoordeeld door de IND.
Beslissing van de rechter
Het beroep is ongegrond verklaard; de afwijzing van de mvv-aanvraag blijft in stand. Hoewel de rechtbank erkent dat er beschermenswaardig familieleven bestaat in de zin van artikel 8 EVRM, heeft verweerder (IND) naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat eiseres niet in aanmerking komt voor de gevraagde mvv.
Impactscore
LaagHet betreft een reguliere individuele vreemdelingenrechtelijke uitspraak van een rechtbank, zonder nieuwe rechtsvragen of richtinggevende overwegingen; de uitkomst past binnen bestaande jurisprudentie over art. 8 EVRM en gezinshereniging.
Belangrijkste punten
- 1Referent (vader) beschikt over een verblijfsvergunning regulier als kennismigrant, geldig tot oktober 2028.
- 2De mvv-aanvraag was aanvankelijk buiten behandeling gelaten wegens niet-betaalde leges; na betaling heeft verweerder de aanvraag alsnog inhoudelijk beoordeeld.
- 3Artikel 8 EVRM (recht op familieleven) is de grondslag van de aanvraag; de rechtbank erkent beschermenswaardig familieleven.
- 4Ondanks het erkende familieleven acht de rechtbank de weigering van de mvv niet in strijd met artikel 8 EVRM.
- 5Geen proceskostenveroordeling; hoger beroep mogelijk bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de bestaande lijn dat het enkele bestaan van beschermenswaardig familieleven (art. 8 EVRM) niet automatisch leidt tot verlening van een mvv voor meerderjarige kinderen bij een in Nederland verblijvende ouder. De afweging van belangen blijft doorslaggevend.
Praktische impact
Voor eiseres betekent de uitspraak dat zij niet naar Nederland mag komen om bij haar vader te verblijven; zij kan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken.
Onderwerp-impact
In gezinsherenigingszaken waarbij meerderjarige kinderen een beroep doen op artikel 8 EVRM blijft de drempel hoog; verweerder heeft ruimte om ondanks erkend familieleven de aanvraag af te wijzen op basis van de belangenafweging.
Samenvatting
In deze zaak bij de Rechtbank Den Haag stond de vraag centraal of een Turkse vrouw (geboren 2002) een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) kon verkrijgen om bij haar vader in Nederland te verblijven. De vader heeft de Turkse nationaliteit en beschikt over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als kennismigrant, geldig tot oktober 2028. Op 20 september 2023 diende hij namens zijn dochter een mvv-aanvraag in op grond van artikel 8 EVRM (recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven). De aanvraag werd aanvankelijk bij primair besluit van december 2023 buiten behandeling gelaten omdat de verschuldigde leges niet waren voldaan. Na betaling van de leges in januari 2024 besloot de IND de aanvraag alsnog inhoudelijk te beoordelen. In het bestreden besluit erkende de IND dat er sprake was van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 EVRM, maar concludeerde zij desondanks dat eiseres niet in aanmerking komt voor de gevraagde mvv. De rechtbank oordeelde dat de IND dit standpunt terecht heeft ingenomen. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard en de afwijzing van de mvv-aanvraag blijft in stand. De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Hoewel de uitspraak weinig feitelijke details vermeldt over de specifieke reden van de afwijzing – de tekst is onvolledig overgeleverd – volgt uit de structuur van de zaak dat de belangenafweging in het nadeel van eiseres is uitgevallen, vermoedelijk omdat de noodzaak van verblijf in Nederland onvoldoende is aangetoond. Eiseres kan binnen vier weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.