JurispRadar
ECLI:NL:RBDHA:2026:29681Laag28/100

Verblijfsvergunning Britse man met dementie geweigerd door rechter

ECLI:NL:RBDHA:2026:29681, Rechtbank Den Haag, 08-10-2026, AWB 26/9455 en AWB 26/9456

Rechtbank Den HaagUitspraak: 8 oktober 2026Publicatie: 8 oktober 2026
Zaaknummer:AWB 26/9455 en AWB 26/9456
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Mensenrechten
Arbeidsrelaties
Overheid
Zorg
Verblijfsvergunning
Artikel 8 Evrm
Dementie
Familieleven
Humanitaire Gronden

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een aanvraag om een verblijfsvergunning. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De afwijzing is niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. De rechtbank oordeelt dat tussen eiser en zijn volwassen zoon geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.

Kern van de zaak

Een Britse man (geboren 1949), die twintig jaar in Nederland woonde maar in 2015 naar Israël vertrok, lijdt aan vasculaire dementie, hartaandoeningen en een depressie na meerdere hartaanvallen en herseninfarcten. Hij wil terugkeren naar Nederland om bij zijn drie meerderjarige zoons te wonen en vraagt een verblijfsvergunning op humanitaire gronden aan, maar de minister wijst dit af.

Beslissing van de rechter

Het beroep is ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen. De doorslaggevende reden is dat eiser niet valt onder de verblijfsdoelen van paragraaf B9/1 van de Vreemdelingencirculaire en dat geen sprake is van beschermingswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM, nu bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en zijn zoons ontbreken.

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak past bestaande jurisprudentie toe zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de toetsing van 'bijkomende elementen van afhankelijkheid' bij meerderjarige familieleden is een gevestigde lijn in het vreemdelingenrecht.

Belangrijkste punten

  • 1Eiser heeft de Britse nationaliteit, woonde twintig jaar in Nederland maar vertrok in 2015 naar Israël en woonde sindsdien niet samen met zijn zoons.
  • 2De aanvraag voor een verblijfsvergunning 'niet-tijdelijke humanitaire redenen' voldoet niet aan de categorieën van paragraaf B9/1 van de Vreemdelingencirculaire.
  • 3Artikel 8 EVRM (recht op familie- of gezinsleven) biedt geen bescherming omdat de vereiste bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen meerderjarige familieleden ontbreken.
  • 4De medische verklaring dat regelmatig contact met zijn kinderen eisers toestand zou stabiliseren en zijn leven zou verlengen, wordt niet aangemerkt als zodanige afhankelijkheid.
  • 5De rechtbank stelt vast dat eiser de benodigde intensieve zorg in Israël kan ontvangen, zodat terugkeer naar Nederland niet medisch noodzakelijk is.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van het vereiste van 'bijkomende elementen van afhankelijkheid' bij meerderjarige familieleden in het kader van artikel 8 EVRM in vreemdelingenzaken. Medische argumenten over de gunstige invloed van familiecontact volstaan niet zonder concrete, objectiveerbare afhankelijkheidsrelatie.

Praktische impact

Eiser, een ernstig zieke bejaarde man, kan niet naar Nederland terugkeren om bij zijn zoons te wonen en is aangewezen op zorg in Israël. Zijn zoons kunnen hem slechts via bezoeken ondersteunen.

Onderwerp-impact

Voor zorgbehoevende vreemdelingen met familieleden in Nederland bevestigt deze zaak dat medische noodzaak en de wens tot nabijheid van familie op zichzelf onvoldoende zijn voor een geslaagd beroep op artikel 8 EVRM.

Samenvatting

Een Britse man, geboren in 1949, woonde twee decennia in Nederland voordat hij in 2015 naar Israël verhuisde. Na meerdere hartaanvallen en herseninfarcten in 2024 lijdt hij aan vasculaire dementie, chronische hartaandoeningen en een depressie. Sinds maart 2025 verblijft hij in een zorginstelling in Israël. Zijn drie meerderjarige zoons wonen en werken in Nederland. Om bij hen te kunnen verblijven, vroeg eiser een verblijfsvergunning aan op grond van 'niet-tijdelijke humanitaire redenen'. De minister wees deze aanvraag af, omdat eiser niet valt onder de verblijfsdoelen van paragraaf B9/1 van de Vreemdelingencirculaire. Daarnaast oordeelde de minister dat de weigering niet in strijd is met artikel 8 EVRM, nu er geen beschermingswaardig familie- of gezinsleven bestaat: eiser en zijn zoons woonden in 2015 al niet meer samen, en er zijn geen bijkomende elementen van afhankelijkheid. Ook de medische verklaring dat regelmatig contact met zijn kinderen zijn toestand zou stabiliseren en zijn leven zou verlengen, acht de minister onvoldoende voor een dergelijke afhankelijkheidsrelatie. De rechtbank Den Haag beoordeelt het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening en verklaart het beroep ongegrond. De rechtbank volgt de minister in zijn oordeel dat de familiebanden tussen volwassen kinderen en een ouder in beginsel niet worden beschermd door artikel 8 EVRM, tenzij sprake is van meer dan normale emotionele banden en aantoonbare afhankelijkheid. Dat eiser intensieve zorg nodig heeft en medisch baat zou hebben bij nabijheid van zijn zoons, is niet voldoende om die drempel te overschrijden, temeer nu hij in Israël adequate zorg kan ontvangen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt eveneens afgewezen, nu in de hoofdzaak is beslist. De uitspraak past de heersende jurisprudentie over artikel 8 EVRM toe zonder nieuwe rechtsnormen te formuleren.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 12 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

Hoge Raad·9 okt 2026
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1646

Hoge Raad verwerpt cassatie tegen gemeente Best

8/100Bekijk
Rechtbank Den Haag·9 okt 2026
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:RBDHA:2026:29845

Zwaar inreisverbod tien jaar na MDMA-smokkel gehandhaafd

28/100Bekijk
Hoge Raad·9 okt 2026
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1645

Hoge Raad verwerpt cassatie tegen gemeente Best

8/100Bekijk
Hoge Raad·9 okt 2026
Bestuursrecht
Belastingrecht
Overheid
Vastgoed
ECLI:NL:HR:2026:1629

Hoge Raad: geen tariefdifferentiatie binnen OZB-categorieën toegestaan

68/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied