ECLI:NL:RBAMS:2026:9171, Rechtbank Amsterdam, 14-09-2026, AMS 26 / 604 ea
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 3 juni 2026 geconstateerd dat de besluitvorming van de dienst om ouders voor hun werkelijke schade te compenseren volledig is vastgelopen en dat de alternatieve hersteltrajecten, die bedoeld zijn als versnelling, op gespannen voet staan met het doel en de strekking van de Wet hersteloperatie toeslagen. De rechtbank onderschrijft dit in de kern, maar vindt niet dat er sprake is van een noodsituatie waardoor in het geheel geen beslistermijn kan worden vastgesteld. Uit de toelichting van de dienst blijkt dat er met name sprake is van een capaciteitsprobleem. Dit kan, wat daar ook van zij, niet voor rekening van de ouders komen. De rechtbank is van oordeel dat de dwangsommen nodig zijn om de wettelijk voorgeschreven rechtsbescherming af te dwingen. De rechtbank sluit aan bij de rechtbanken Midden-Nederland en Gelderland en bepaalt dat in beroepen waar niet tijdig is beslist op aanvragen om de werkelijke schade vast te stellen een nadere termijn geldt van 66 weken na afloop van de beslistermijn. Bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom sluit de rechtbank aan bij door de rechtspraak ontwikkelde (basis-)richtlijn van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank bepaalt dat deze dwangsom ook wordt opgelegd bij opvolgende beroepen.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.