JurispRadar
ECLI:NL:GHSHE:2026:2267Laag28/100

Navorderingsaanslag vennootschapsbelasting goodwill gedeeltelijk in geschil

ECLI:NL:GHSHE:2026:2267, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19-08-2026, 24/1187

Gerechtshof 's-HertogenboschUitspraak: 19 augustus 2026Publicatie: 19 augustus 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:24/1187
Ondernemingsrecht
Belastingrecht
Financiele Dienstverlening
Faillissement
Vennootschapsbelasting
Navordering
Liquidatieverlies
Goodwill
Doorbelasting

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Navorderingsaanslag Vpb 2017. Belanghebbende maakte tot haar liquidatie in oktober 2017 onderdeel uit van een vennootschapsstructuur. Belanghebbende heeft aangifte Vpb 2017 gedaan onder horizontaal toezicht en daarbij geen winst ter zake van goodwill aangegeven. De inspecteur heeft een navorderingsaanslag Vpb opgelegd tot het belastbaar bedrag plus de goodwill. Naar het oordeel van het hof beschikt de inspecteur niet over een nieuw feit. Dat de aangifte is ingediend onder horizontaal toezicht maakt dat oordeel niet anders. Naar het oordeel van het hof is wel sprake van kwade trouw van de zijde van de gemachtigde. De inspecteur was zodoende bevoegd om een navorderingsaanslag op te leggen. De inspecteur heeft de door hem verdedigde waarde van de goodwill aannemelijk gemaakt door aan te sluiten bij de berekeningen binnen het concern ter zake van aandelentransacties tussen onafhankelijke partijen. Het hof is van oordeel dat de belastingrente niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel in rekening is gebracht. Het hof vermindert de belastingrente wegens het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026.

Kern van de zaak

Een vennootschap (onderdeel van een groep) betwist een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2017. De inspecteur heeft een correctie van € 684.883 wegens goodwill opgelegd bovenop het aangegeven belastbaar bedrag, nadat in het kader van een overleg over een liquidatieverlies van circa € 921.710 aanvullende informatie was verstrekt over aandelenwaardering en doorbelastingen.

Beslissing van de rechter

Op basis van de beschikbare tekst is de eindbeslissing niet volledig kenbaar; de uitspraak behandelt in elk geval de vraag of sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt en de correctie van € 684.883 aan goodwill. De rechtbank/het hof buigt zich over de navorderingsaanslag met een belastbaar bedrag van € 686.338, maar de definitieve toewijzing of afwijzing is uit het aangeleverde fragment niet volledig op te maken.

28van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een feitelijk specifieke belastingzaak op hoger-beroepsniveau zonder aanwijzingen voor principiële rechtsvraagbeantwoording; de beperkte beschikbaarheid van de volledige uitspraak maakt een hogere inschatting niet verantwoord.

Belangrijkste punten

  • 1Navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2017 opgelegd met dagtekening 1 juli 2022, belastbaar bedrag verhoogd van € 1.455 naar € 686.338 wegens goodwillcorrectie van € 684.883.
  • 2Centraal geschilpunt is of de inspecteur beschikte over een 'nieuw feit' dat navordering rechtvaardigt (artikel 16 AWR).
  • 3Liquidatieverlies van circa € 921.710 m.b.t. liquidatie van drie groepsdochters was inzet van eerdere overlegprocedure met de belastingdienst.
  • 4Onjuiste doorbelastingen vanuit de moedervennootschap zouden de uitkomst van de waarderingsformule voor de aandelen hebben vertekend; dit is extracomptabel gecorrigeerd.
  • 5De uitspraak is afkomstig van Gerechtshof 's-Hertogenbosch (hoger beroep), wat erop wijst dat de zaak al eerder in eerste aanleg is behandeld.

Impactanalyse

Juridische impact

De zaak betreft de klassieke navorderingsvraag (nieuw feit ex artikel 16 AWR) in de context van complexe groepsstructuren en aandelenwaardering; de uitkomst kan richting geven aan de informatieverplichting van belastingplichtigen tijdens overlegtrajecten. Omdat de volledige motivering ontbreekt, is de bredere precedentwerking onzeker.

Praktische impact

Voor de betrokken vennootschap staat een belastingcorrectie van bijna € 685.000 op het spel; een geslaagd beroep op het ontbreken van een nieuw feit zou de navorderingsaanslag doen vervallen. Belastingplichtigen die in overleg treden met de inspecteur lopen het risico dat informatie die zij verstrekken als grondslag voor navordering wordt gebruikt.

Onderwerp-impact

In de financiële dienstverlening en het ondernemingsrecht is de waardering van aandelen en de fiscale behandeling van doorbelastingen binnen groepen een gevoelig thema; deze zaak illustreert hoe extracomptabele correcties aanleiding kunnen geven tot navordering.

Samenvatting

Deze zaak betreft een hoger-beroepsprocedure bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch over een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2017, opgelegd aan een vennootschap die deel uitmaakt van een groep met een complexe aandeelhoudersstructuur. In de kern gaat het om de vraag of de Belastingdienst beschikte over een 'nieuw feit' in de zin van artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, op grond waarvan navordering is toegestaan. De feitelijke achtergrond is als volgt. Drie nieuwe investeerders traden toe tot de groep via een aandelenemissie en voerden activiteiten uit vanuit nieuw opgerichte dochtermaatschappijen, terwijl de infrastructuur en faciliteiten bij de moedervennootschap bleven. Een ingewikkelde kostendoorbelastingformule – met een gewenst rendement van 12,5% voor de moeder – leidde tot geschillen over de juiste aandelenwaardering. Uiteindelijk werden de drie dochtermaatschappijen geliquideerd, waarna een liquidatieverlies van circa € 921.710 in de aangifte vennootschapsbelasting 2017 werd geclaimd. Tijdens het overlegtraject met de inspecteur verstrekte de belastingplichtige aanvullende informatie, waaruit bleek dat onjuiste doorbelastingen de uitkomst van de waarderingsformule hadden vertekend en dat dit extracomptabel was gecorrigeerd. De inspecteur zag daarin aanleiding een goodwillcorrectie van € 684.883 door te voeren, waardoor het belastbaar bedrag steeg van € 1.455 naar € 686.338. Het hof buigt zich over de toelaatbaarheid van die navordering. De volledige beslissing en motivering zijn op basis van het beschikbare fragment niet volledig kenbaar, zodat enige onzekerheid over de uitkomst resteert. De zaak is juridisch relevant voor belastingplichtigen die in overleg treden met de inspecteur en daarbij informatie verstrekken: dergelijke informatie kan worden aangemerkt als nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, zelfs als het overleg aanvankelijk een ander geschilpunt betrof.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 13 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Ondernemingsrecht

Gerechtshof Amsterdam·10 okt 2026
Ondernemingsrecht
Burgerlijk procesrecht
Aansprakelijkheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:GHAMS:2026:2900

Ondernemingskamer behandelt enquêteprocedures grote institutionele beleggers

25/100Bekijk
Hoge Raad·9 okt 2026
Ondernemingsrecht
Belastingrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1533

Naheffingsaanslag na juridische splitsing op naam verdwenen rechtspersoon

72/100Bekijk
Gerechtshof Amsterdam·8 okt 2026
Ondernemingsrecht
Burgerlijk procesrecht
Bestuurdersaansprakelijkheid
Technologie
ECLI:NL:GHAMS:2026:2901

Ondernemingskamer keurt onderzoeksbegroting Issue IT goed

12/100Bekijk
Gerechtshof Amsterdam·7 okt 2026
Ondernemingsrecht
Burgerlijk procesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:GHAMS:2026:2888

Ondernemingskamer benoemt bestuurders bij beursgenoteerd bedrijf

38/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied