Belastingplichtige eist rente en schadevergoeding na onterechte navorderingsaanslag
ECLI:NL:GHSHE:2026:1623, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 03-06-2026, 24/213
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Navorderingsaanslag IB 2016. Belanghebbende verzoekt om een rentevergoeding en om toekenning van een (immateriële) schadevergoeding. Het hof ziet geen reden om de inspecteur te veroordelen tot betaling van rente. De redelijke termijn in eerste aanleg is niet overschreden, waardoor geen recht bestaat op een immateriële schadevergoeding in eerste aanleg. Tot slot ziet het hof geen aanleiding voor toekenning van een aanvullende schadevergoeding in verband met schendingen van algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hoger beroep ongegrond.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige (woonachtig in het buitenland) ontving een onterechte navorderingsaanslag inkomstenbelasting, die de inspecteur zelf erkende als gevolg van een beoordelingsfout. Na vernietiging van die aanslag vorderde belanghebbende in hoger beroep een rentevergoeding van € 1.925 en een immateriëleschadevergoeding van € 6.500.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft uitspraak gedaan op 3 juni 2026; op basis van de beschikbare tekst zijn de vorderingen tot rentevergoeding en immateriëleschadevergoeding beoordeeld, waarbij de rechtbank eerder al de navorderingsaanslag had vernietigd. De tekst van de uitspraak is onvolledig, waardoor de exacte beslissing op de afzonderlijke vorderingen niet met zekerheid kan worden vastgesteld.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele belastingzaak bij een gerechtshof zonder richtinggevende rechtsvragen; de navorderingsaanslag was al vernietigd en de resterende vragen over rente en schadevergoeding zijn casuïstisch van aard. De uitspraaktekst is bovendien onvolledig.
Belangrijkste punten
- 1De navorderingsaanslag is door de rechtbank vernietigd omdat de inspecteur zelf erkende dat deze ten onrechte was opgelegd wegens een beoordelingsfout.
- 2De MAP-procedure in het woonland van belanghebbende is afgerond; het heffingsrecht over de uitkeringen is aan Nederland toegewezen.
- 3Belanghebbende vordert in hoger beroep € 1.925 rentevergoeding en € 6.500 immateriëleschadevergoeding.
- 4De ontvankelijkheid van het hoger beroep was aan de orde: het beroepschrift werd per abuis bij de rechtbank ingediend, die het doorstuurde naar het hof.
- 5De volledige beslissingstekst ontbreekt, waardoor de uitkomst op de schadevergoeding en rentevergoeding niet volledig kan worden gereconstrueerd.
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak betreft de grenzen van rentevergoeding en immateriëleschadevergoeding bij onterecht opgelegde belastingaanslagen, een onderwerp waarover de belastingrechter terughoudend is maar dat steeds vaker speelt bij fouten van de Belastingdienst. De uitkomst heeft beperkte precedentwerking nu het een feitelijke beoordeling in een individueel geval betreft.
Praktische impact
Voor de belastingplichtige betekent de uitspraak duidelijkheid over of hij naast de reeds vernietigde aanslag ook financieel gecompenseerd wordt voor de geleden schade door het onterecht handelen van de Belastingdienst. De MAP-procedure heeft al zekerheid gegeven over het heffingsrecht.
Onderwerp-impact
Voor grensoverschrijdende belastingplichtigen onderstreept deze zaak het belang van de MAP-procedure naast nationale rechtsmiddelen, en de mogelijkheid om naast vernietiging van een aanslag ook rente en immateriële schade te vorderen bij aantoonbare fouten van de fiscus.
Samenvatting
In deze belastingzaak voor het Gerechtshof 's-Hertogenbosch stond centraal of een belastingplichtige die in het buitenland woont recht heeft op een rentevergoeding en immateriëleschadevergoeding nadat hem een onterechte navorderingsaanslag inkomstenbelasting was opgelegd. De inspecteur had ter zitting bij de rechtbank erkend dat de navorderingsaanslag het gevolg was van een beoordelingsfout ten aanzien van een eerder gegeven verminderingsbeschikking, en dat de aanslag vernietigd diende te worden. De rechtbank volgde dit standpunt en vernietigde de aanslag. Parallel aan de nationale procedure had belanghebbende in zijn woonland een Mutual Agreement Procedure (MAP) opgestart; ter zitting bij het hof bleek dat deze procedure was afgerond en dat het heffingsrecht over de betrokken uitkeringen aan Nederland is toegewezen. In hoger beroep beperkte het geschil zich tot twee vragen: heeft belanghebbende recht op een rentevergoeding van € 1.925, en heeft hij recht op een immateriëleschadevergoeding van € 6.500 wegens de onrechtmatige belastingheffing en de daarmee gepaard gaande belasting van de procedure? De ontvankelijkheid van het hoger beroep was aanvankelijk ook aan de orde, omdat belanghebbende zijn beroepschrift per abuis bij de rechtbank indiende; de rechtbank heeft dit doorgestuurd naar het hof. De volledige beslissingstekst van het hof is in de beschikbare uitspraak niet opgenomen, waardoor niet met zekerheid kan worden vastgesteld hoe het hof de vorderingen tot rente en schadevergoeding heeft beoordeeld. Op basis van de beschikbare informatie is dit een relatief beperkte belastingzaak met weinig bredere precedentwerking, maar die voor de betrokken belastingplichtige financieel relevant is.