Belastingplichtige slaagt niet in bewijs bij omgekeerde bewijslast
ECLI:NL:GHSHE:2026:1458, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 03-06-2026, 24/1147 t/m 24/1154
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)IB/PVV en Zvw. Omkering en verzwaring bewijslast, redelijke schatting, vermindering boete. Bij belanghebbende zijn aanzienlijke bedragen aan contante gelden aangetroffen. Deze bedragen zijn niet in de aangiften IB/PVV vermeld. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in 2015, 2016 en 2017 zich ervan bewust was dat verhoudingsgewijs en op zichzelf beschouwd aanzienlijke bedragen aan inkomstenbelasting niet zouden worden geheven. De bewijslast is terecht omgekeerd en verzwaard. Het hof volgt de inspecteur evenwel niet in het bedrag van de redelijke schatting en stelt deze vast op een nader bedrag. Het hof oordeelt dat de inspecteur voor het jaar 2014 er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat belanghebbende zich ervan bewust was dat verhoudingsgewijs en op zichzelf beschouwd aanzienlijke bedragen aan inkomstenbelasting niet zouden worden geheven.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige ging in hoger beroep bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch tegen aanslagen over de jaren 2014 tot en met 2017. De inspecteur stelde dat de vereiste aangiften niet waren gedaan omdat de aangegeven belasting aanzienlijk lager was dan de werkelijk verschuldigde belasting. Dit leidde tot toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast.
Beslissing van de rechter
Het hof beoordeelt of de vereiste aangiften voor 2014-2017 zijn gedaan aan de hand van het wettelijk kader van artikel 27e AWR, waarbij een afwijking van 19% als verhoudingsgewijs aanzienlijk wordt beschouwd. Bij het niet doen van de vereiste aangifte wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard, zodat belanghebbende overtuigend moet aantonen dat en in hoeverre de aanslag te hoog is.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaand, gevestigd recht toe (artikel 27e AWR en jurisprudentie over de vereiste aangifte) zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de impact beperkt zich tot de betrokken partijen.
Belangrijkste punten
- 1Een afwijking van 19% tussen aangegeven en werkelijk verschuldigde belasting wordt in ieder geval als verhoudingsgewijs aanzienlijk beschouwd.
- 2De bewijslast dat de vereiste aangifte niet is gedaan rust op de inspecteur; pas daarna vindt omkering en verzwaring plaats.
- 3Bij omkering moet de belastingplichtige overtuigend aantonen (doen blijken) dat en in hoeverre de aanslag te hoog is.
- 4Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden alleen meegewogen als de belastingplichtige wist of zich bewust moest zijn dat een aanzienlijk bedrag niet zou worden geheven.
- 5Artikel 27e, lid 1, AWR is van overeenkomstige toepassing in hoger beroep.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt het geldende kader voor de vereiste aangifte en omkering van bewijslast ex artikel 27e AWR, met name de kwantitatieve norm van 19% en het subjectieve bewustzijnsvereiste. Dit is een toepassing van bestaand recht zonder nieuwe rechtsontwikkeling.
Praktische impact
Voor belastingplichtigen betekent dit dat bij een significante onderschatting van de verschuldigde belasting in de aangifte de bewijslast volledig omslaat: zij moeten zelf overtuigend bewijzen dat de aanslag onjuist is, wat in de praktijk een zeer zware opgave is.
Onderwerp-impact
In het kader van belastinggeschillen over inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting worden belastingplichtigen geconfronteerd met een strenge bewijsmaatstaf zodra gebreken in de aangifte zijn vastgesteld, wat naleving van aangifteverplichtingen cruciaal maakt.
Samenvatting
Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde in deze zaak het hoger beroep van een belastingplichtige tegen aanslagen over de jaren 2014 tot en met 2017. De kern van het geschil betrof de vraag of de vereiste aangiften in de zin van artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) waren gedaan. Indien dat niet het geval is, treedt de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast in werking: niet langer de inspecteur, maar de belastingplichtige draagt de bewijslast, en wel op een verzwaarde wijze — hij moet overtuigend aantonen (doen blijken) dat en in hoeverre de aanslag te hoog is. Het hof schetst het toepasselijke beoordelingskader. De vereiste aangifte is niet gedaan wanneer één of meer gebreken ertoe leiden dat de aangegeven belasting zowel in absoluut als in relatief opzicht aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Een afwijking van 19% geldt daarbij in ieder geval als verhoudingsgewijs aanzienlijk. Belangrijk is ook het subjectieve element: de inhoudelijke gebreken worden alleen in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag niet zou worden geheven. De initiële bewijslast dat de vereiste aangifte niet is gedaan, rust op de inspecteur. De uitspraak bevat geen volledig weergegeven dictum vanwege de beschikbare tekst, maar de inhoudelijke overwegingen zijn duidelijk: het hof past de vaste jurisprudentie en wettelijke regels rondom de omkering van bewijslast consequent toe. Er is geen sprake van rechtsontwikkeling; de zaak illustreert de strikte gevolgen van gebrekkige belastingaangiften voor belastingplichtigen. Cassatie bij de Hoge Raad staat open binnen zes weken na verzending.