Rechter-commissaris beoordeelt geheimhouding persoonsgegevens bij bestuursdwang veehouderij
ECLI:NL:CBB:2026:486, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 01-10-2026, 24/801
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Beslissing 8:29 Awb. Beperkte kennisneming is gerechtvaardigd vanwege persoons- en bedrijfsgegevens.
Kern van de zaak
De staatssecretaris heeft bestuursdwang toegepast bij een veehouderij wegens dierenwelzijnsproblemen en de kosten verhaald op de eigenaar. In de beroepsprocedure verzoekt de staatssecretaris dat het College alleen onbewerkte (niet-geanonimiseerde) stukken mag inzien, omdat persoonsgegevens van betrokken derden (dierenarts, transporteur etc.) zijn weggelakt ter bescherming van hun privacy.
Beslissing van de rechter
De rechter-commissaris is aangewezen om te beslissen of de beperkte kennisneming van de weggelakte persoonsgegevens gerechtvaardigd is op grond van artikel 8:29 lid 3 Awb. De uitspraak is onvolledig weergegeven en bevat geen definitieve eindbeslissing over de gegrondheid van het verzoek; de afweging van belangen wordt beschreven maar niet afgesloten.
Impactscore
LaagHet betreft een procedurele tussenbeslissing over geheimhouding van persoonsgegevens in een individueel handhavingsdossier, zonder richtinggevende rechtsvraag; de uitspraak is bovendien onvolledig weergegeven waardoor de feitelijke uitkomst onduidelijk blijft.
Belangrijkste punten
- 1Staatssecretaris heeft bestuursdwang toegepast wegens dierenwelzijnsproblemen bij een veehouderij en kosten verhaald op de eigenaar
- 2Persoonsgegevens van bij de inbeslagname betrokken derden (opslaghouder, dierenarts, transporteur, taxateur, RVO-medewerkers) zijn weggelakt in de processtukken
- 3Artikel 8:29 lid 3 Awb biedt de grondslag voor de rechter om te beslissen of beperking van kennisneming gerechtvaardigd is
- 4De rechter-commissaris weegt het beginsel van equality of arms af tegen privacybelangen van derden en het functionele belang van de staatssecretaris bij informatieverstrekking in de toekomst
- 5De tekst is onvolledig; de uiteindelijke beslissing over de gegrondheid van het geheimhoudingsverzoek ontbreekt
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak betreft de toepassing van artikel 8:29 Awb over gerechtvaardigde beperking van kennisneming van processtukken, een procedurele kwestie die relevant is voor de balans tussen hoor en wederhoor enerzijds en privacybescherming van derden anderzijds. Omdat de uitspraak onvolledig is, kan de definitieve juridische impact niet volledig worden vastgesteld.
Praktische impact
Voor de veehouder betekent de weggelakte informatie dat hij mogelijk niet alle relevante gegevens van betrokken derden kan controleren, wat zijn verdedigingspositie kan beïnvloeden. Voor de staatssecretaris bevestigt de procedure het belang van bescherming van informanten en uitvoerende partijen bij handhavingsacties.
Onderwerp-impact
In dierenwelzijnshandhaving is het gebruikelijk dat bij bestuursdwang meerdere externe partijen betrokken zijn wier identiteit gevoelig kan zijn; deze uitspraak raakt aan de praktijk van informatiedeling in dergelijke procedures.
Samenvatting
In deze zaak heeft de staatssecretaris op grond van dierenwelzijnswetgeving bestuursdwang toegepast bij een veehouderij en de kosten daarvan verhaald op de eigenaar. In de beroepsprocedure bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft de staatssecretaris verzocht dat bepaalde processtukken slechts in onbewerkte vorm aan het College worden overgelegd, terwijl de aan de veehouder verstrekte versies zijn geanonimiseerd. Het gaat om persoonsgegevens en bedrijfskenmerken van de bij de inbeslagname betrokken opslaghouder, dierenarts, transporteur, taxateur en medewerkers van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. De staatssecretaris voert aan dat openbaarmaking van deze gegevens onevenredig nadeel zou toebrengen aan de betrokkenen en dat de veehouder deze informatie niet nodig heeft om zijn belangen adequaat te verdedigen. Bovendien heeft de staatssecretaris er belang bij dat derden in de toekomst bereid blijven informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor handhaving. Op grond van artikel 8:29 lid 3 Awb is het aan het College om te beslissen of de beperking van kennisneming gerechtvaardigd is. Met toepassing van artikel 8:12 Awb is deze beslissing opgedragen aan een rechter-commissaris. De rechter-commissaris dient daarbij het beginsel van equality of arms — het recht van partijen op gelijke toegang tot procesinformatie — af te wegen tegen de privacybelangen van de betrokken derden en het functionele overheidsbelang bij toekomstige informatieverstrekking. De aangeleverde tekst is echter onvolledig en bevat geen afgeronde beslissing, waardoor de uitkomst van deze afweging niet kan worden vastgesteld. De zaak illustreert de spanning die in handhavingsprocedures kan ontstaan tussen transparantie in het geding en bescherming van bij de uitvoering betrokken personen.