Dwangsom erfafscheiding zonder vergunning blijft in stand
ECLI:NL:RVS:2026:5189, Raad van State, 02-09-2026, 202404589/1/R2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 17 januari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Helmond [appellant] onder oplegging van een dwangsom van € 1500,- ineens, gelast om voor 1 mei 2022 de zonder omgevingsvergunning op het perceel [locatie A] in Helmond gerealiseerde erfafscheiding (inclusief begeleidende palen) te verlagen tot een hoogte van 1 meter, dan wel deze te verwijderen. [appellant] is eigenaar van het perceel [locatie A] in Helmond. Bij een controle door een toezichthouder van de gemeente is geconstateerd dat bij de woning op het hoekperceel zonder omgevingsvergunning een erfafscheiding van 2 m hoog is geplaatst. De erfafscheiding staat op de grens met het openbaar gebied en loopt van voor de woning, langs de zijkant tot aan de achterzijde van de woning. De rechtbank heeft [appellant] niet gevolgd in het betoog dat de erfafscheiding, voor zover gelegen achter de voorgevelrooilijn, zonder omgevingsvergunning kon worden gebouwd, gelet op artikel 2, aanhef en onder 12, van Bijlage II van het Bor. Zij is dan ook van oordeel dat voor de erfafscheiding als geheel een omgevingsvergunningplicht bestaat.
Kern van de zaak
Eigenaar van een hoekperceel in Helmond plaatste een 2 meter hoge erfafscheiding langs openbaar gebied zonder omgevingsvergunning. Het college legde in januari 2022 een last onder dwangsom op wegens strijd met de Wabo. Appellant betwistte onder meer de geldigheid van de begunstigingstermijn.
Beslissing van de rechter
De Raad van State oordeelt dat de opgelegde last onder dwangsom in stand blijft. Doorslaggevend is dat het e-mailbericht van 4 maart 2022 niet als een formeel besluit tot verlenging van de begunstigingstermijn kan worden aangemerkt, en dat de begunstigingstermijn van 1 mei 2022 dus niet rechtsgeldig is opgeschort of gewijzigd.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen bestaande, vaste jurisprudentie over de vereisten voor formele besluitvorming en overgangsrecht bij de Omgevingswet. Er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en de zaak heeft een beperkte reikwijdte.
Belangrijkste punten
- 1Overgangsrecht Omgevingswet: omdat de last onder dwangsom vóór 1 januari 2024 is opgelegd, blijft de oude Wabo van toepassing op grond van artikel 4.23 lid 1 Invoeringswet Omgevingswet.
- 2Een 2 meter hoge erfafscheiding op een hoekperceel grenzend aan openbaar gebied is vergunningplichtig op grond van artikel 2.1 lid 1 onder a en c Wabo.
- 3De erfafscheiding is tevens in strijd met het bestemmingsplan 'Rijpelberg-Brouwhuis', waarvoor ook een vergunning voor planafwijking vereist is.
- 4Een informeel e-mailbericht van de gemeente kan niet worden aangemerkt als een formeel besluit tot verlenging of opschorting van de begunstigingstermijn.
- 5Het per abuis niet opnemen van een nieuwe begunstigingstermijn in de beslissing op bezwaar heeft geen rechtsgevolg ten gunste van appellant.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat informele communicatie (e-mail) van een bestuursorgaan niet kan gelden als een besluit in de zin van de Awb en daarmee geen rechtsgevolgen voor de begunstigingstermijn van een last onder dwangsom kan hebben. Tevens verduidelijkt de uitspraak de toepassing van het overgangsrecht bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Praktische impact
Burgers kunnen zich niet beroepen op informele toezeggingen per e-mail als grondslag voor verlenging van een begunstigingstermijn; enkel een formeel besluit heeft rechtskracht. De appellant loopt het risico dat reeds verbeurde dwangsommen worden ingevorderd.
Onderwerp-impact
In het omgevingsrecht en de handhavingspraktijk onderstreept deze uitspraak het belang van formele besluitvorming bij elke wijziging van een opgelegde last, en biedt het gemeenten duidelijkheid over de grenzen van informeel contact met overtreders.
Samenvatting
Deze uitspraak van de Raad van State betreft een handhavingszaak tegen een eigenaar van een hoekperceel in Helmond, die zonder omgevingsvergunning een twee meter hoge erfafscheiding had geplaatst langs de grens met openbaar gebied. Het college van burgemeester en wethouders constateerde een overtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en legde in januari 2022 een last onder dwangsom op. De appellant betwistte de handhaving en stelde onder meer dat de begunstigingstermijn was verlengd op basis van een e-mailbericht dat de gemeente op 4 maart 2022 had gestuurd. De centrale juridische vragen betroffen de toepasselijkheid van de Wabo na inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024, de vergunningplicht voor de erfafscheiding, en de rechtskracht van het bewuste e-mailbericht als verlengingsbesluit. De Raad van State oordeelt dat op grond van artikel 4.23 lid 1 van de Invoeringswet Omgevingswet het oude recht van toepassing blijft, omdat de last vóór 1 januari 2024 is opgelegd. De erfafscheiding is vergunningplichtig wegens strijd met artikel 2.1 lid 1 onder a en c Wabo én met de planregels van het bestemmingsplan 'Rijpelberg-Brouwhuis'. Het betoog van appellant dat de begunstigingstermijn was verlengd, wordt verworpen: een informeel e-mailbericht van de gemeente kan niet worden aangemerkt als een formeel besluit tot verlenging of opschorting van de begunstigingstermijn. Het per abuis achterwege laten van een nieuwe termijn in de beslissing op bezwaar heeft evenmin rechtsgevolg. De last onder dwangsom blijft daarmee ongewijzigd van kracht, met als gevolg dat de begunstigingstermijn van 1 mei 2022 formeel niet is gewijzigd.