Handhaving erfafscheidingen zonder vergunning in Helmond bevestigd
ECLI:NL:RVS:2026:5186, Raad van State, 02-09-2026, 202305140/1/R2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij afzonderlijke besluiten van 13 juli 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Helmond [appellanten] onder oplegging van een dwangsom gelast om voor 1 oktober 2020 de zonder omgevingsvergunning op de percelen [locatie A] en [locatie B] in Helmond gerealiseerde erfafscheidingen te verwijderen, te verlagen tot 1 m, of te verplaatsen tot achter de voorgevelrooilijn. [appellanten] zijn eigenaren van respectievelijk de percelen [locatie A] en [locatie B] in Helmond. In september 2019 heeft een toezichthouder van de gemeente geconstateerd dat aan de voorzijde van deze percelen zonder omgevingsvergunning erfafscheidingen zijn geplaatst. Het college heeft hen in verband daarmee bij brieven van 15 januari 2020 een voornemen tot handhaving toegestuurd. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een overtreding en het college bevoegd was om handhavend op te treden. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het door het college gevoerde handhavingsbeleid zoals neergelegd in de "Beleidsregel handhaving particuliere bouwwerken Helmond 2013" in algemene zin onevenredig is.
Kern van de zaak
Eigenaren van twee percelen in Helmond plaatsten zonder omgevingsvergunning erfafscheidingen aan de voorzijde van hun percelen. Het college van B&W legde in 2020 lasten onder dwangsom op wegens overtreding van de Wabo. Appellanten bestreden deze handhavingsbeslissingen in beroep en hoger beroep.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart zowel het hoger beroep als het beroep tegen de besluiten van 18 oktober 2023 ongegrond. Doorslaggevend is dat de erfafscheidingen zonder de vereiste omgevingsvergunning voor bouwen én voor afwijking van het bestemmingsplan zijn geplaatst, zodat handhaving gerechtvaardigd was.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een feitelijk en rechtelijk rechttoe-rechtaan handhavingszaak zonder nieuwe rechtsvragen; de juridische meerwaarde is beperkt tot bevestiging van bestaand overgangsrecht en vergunningplicht voor erfafscheidingen.
Belangrijkste punten
- 1Op de opgelegde lasten onder dwangsom uit 2020 blijft de Wabo (oud recht) van toepassing op grond van het overgangsrecht van artikel 4.23 Invoeringswet Omgevingswet.
- 2De erfafscheidingen zijn in strijd met artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, en artikel 2.3a, eerste lid, Wabo geplaatst zonder omgevingsvergunning.
- 3Zowel een vergunning voor de activiteit bouwen als voor afwijking van het bestemmingsplan was vereist.
- 4Het college was bevoegd en gehouden tot handhaving nu geen bijzondere omstandigheden een uitzondering rechtvaardigden.
- 5Zowel het hoger beroep als het beroep tegen de heroverweging van 2023 is ongegrond verklaard.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van het overgangsrecht bij de Omgevingswet: voor vóór 1 januari 2024 opgelegde lasten onder dwangsom geldt het oude Wabo-regime onverkort. Dit verduidelijkt de reikwijdte van artikel 4.23 Invoeringswet Omgevingswet.
Praktische impact
De eigenaren dienen de zonder vergunning geplaatste erfafscheidingen te verwijderen of te legaliseren, op straffe van verbeurte van de dwangsom. Geen proceskostenvergoeding wordt toegekend.
Onderwerp-impact
Voor eigenaren en bouwers geldt dat erfafscheidingen in afwijking van bestemmingsplanregels vergunningplichtig kunnen zijn, ook als zij op het eerste gezicht als eenvoudige bouwwerken worden beschouwd.
Samenvatting
In deze zaak stond de handhaving door het college van burgemeester en wethouders van Helmond centraal tegen twee perceeleigenaren die zonder omgevingsvergunning erfafscheidingen aan de voorzijde van hun percelen hadden geplaatst. Een gemeentelijke toezichthouder constateerde dit in september 2019, waarna het college in januari 2020 een handhavingsvoornemen kenbaar maakte en in juli 2020 lasten onder dwangsom oplegde. Aan de lasten lag ten grondslag dat appellanten in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, en artikel 2.3a, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) hadden gehandeld door de erfafscheidingen te bouwen en in stand te laten zonder de vereiste omgevingsvergunning voor bouwen en voor afwijking van het bestemmingsplan. De planregels vereisten een dergelijke vergunning voor de geplaatste erfafscheidingen. De centrale juridische vraag was of de handhavingsbeslissingen rechtmatig waren, mede in het licht van de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelt voorop dat op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet het oude Wabo-recht van toepassing blijft op lasten onder dwangsom die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn opgelegd voor overtredingen die eveneens vóór dat tijdstip hebben plaatsgevonden. Nu de lasten dateren van 13 juli 2020, geldt de Wabo zoals die vóór 1 januari 2024 luidde. Inhoudelijk oordeelt de Afdeling dat de erfafscheidingen vergunningplichtig waren en dat het college terecht tot handhaving is overgegaan. Noch het hoger beroep, noch het beroep tegen de heroverwegende besluiten van 18 oktober 2023 slaagt. De Afdeling verklaart beide ongegrond en kent geen proceskostenvergoeding toe.