ECLI:NL:RBMNE:2026:4420, Rechtbank Midden-Nederland, 30-06-2026, UTR 25/4557. UTR 25/4646, UTR 25/4953 en UTR 25/4954
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Deze uitspraak gaat over overtredingen van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De minister heeft voor deze overtredingen aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd. Eiseres heeft namelijk twee vreemdelingen te werk gesteld zonder een juiste vergunning (artikel 2, eerste lid, van de Wav). Ook heeft eiseres van een aantal werknemers geen identiteitsgegevens overgelegd terwijl de minister deze heeft gevorderd (artikel 15a van de Wav). Deze uitspraak gaat met name over de vraag van welke mate van verwijtbaarheid de minister had moeten uitgaan en of de minister de hoogte van de boete had moeten matigen. De rechtbank vindt dat de minister is uitgegaan van de juiste mate van verwijtbaarheid en geen aanleiding had hoeven zien om de boete te matigen. Ook heeft eiseres beroep ingesteld tegen drie besluiten die samenhangen met het beroep tegen de bestuurlijke boete. De rechtbank besluit daarom om de zaken te voegen en in alle zaken tegelijk uitspraak te doen. De beroepen zijn in alle zaken ongegrond. Een van de samenhangende besluiten bevat een gebrek, maar de rechtbank gaat aan dit gebrek voorbij. Dit is geen aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten, omdat geen sparke is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.