JurispRadar
ECLI:NL:RBDHA:2026:4905Laag5/100

ECLI:NL:RBDHA:2026:4905, Rechtbank Den Haag, 10-03-2026, NL25.26347

Rechtbank Den HaagUitspraak: 10 maart 2026Publicatie: 10 maart 2026
Procedure:Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer:NL25.26347

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Asiel, Iran, identiteit, nationaliteit, herkomst en theïsme geloofwaardig, overige asielmotieven ongeloofwaardig. Verkrachting geloofwaardig maar juridische vervolging in Iran niet. Onvoldoende onderbouwd met objectieve documenten en volgens de minister niet voldaan aan inspanningsplicht zonder goede verklaring. Niet voldaan aan artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet. Verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Ook niet voldoende aan zesde lid, onder c. Geloofwaardigheidsbeoordeling WI 2024/6. Jurisprudentie over WI 2024/6 verschillend, ook wat betreft uitspraken zittingsplaats Groningen. De rechtbank stelt vast dat het asielrelaas van eiser is beoordeeld aan de hand van WI 2024/6. Uit de besluitvorming en het verweerschrift blijkt dat de minister niet uitsluitend een checklist-benadering heeft gevolgd. De minister heeft, aan de hand van WI 2024/6, eerst de asielmotieven vastgesteld en beoordeeld in welke mate deze door documenten zijn gestaafd (stap 2a). Volgens de minister moet de vreemdeling elk van deze motieven voldoende met bewijsmateriaal onderbouwen. Dat is een correct standpunt volgens de rechtbank, gelet op artikel 4, vijfde lid van de Kwalificatierichtlijn, nu ook duidelijk is dat zowel objectieve bewijstukken als andere bewijsmiddelen bij de beoordeling als bedoeld in stap 2a worden betrokken. Eiser heeft, zo stelt de rechtbank vast, ten tijde van zijn asielverzoek geen documenten overgelegd ter onderbouwing van zijn asielrelaas. Daarop heeft de beoordeling volgens stap 2b plaatsgevonden. Die stap houdt volgens de Werkinstructie in dat het asielmotief geloofwaardig wordt bevonden als aan de cumulatieve voorwaarden wordt voldaan. Bij die stap heeft de vreemdeling die niet in staat is om zijn asielrelaas met bewijsmateriaal te onderbouwen, de mogelijkheid om zijn asielmotieven op andere wijze aannemelijk te maken. Ter zitting is toegelicht en benadrukt dat na de vaststelling aan welke van de voorwaarden niet wordt voldaan, vervolgens een integrale individuele beoordeling plaatsvindt. De rechtbank stelt vast dat in WI 2024/6 uitdrukkelijk is vermeld dat bij de beoordeling van de geloofwaardigheid alle feiten en omstandigheden worden betrokken, terwijl ook wordt bekeken of het redelijk is het niet voldoen aan een enkele voorwaarde van artikel 31, zesde lid Vw tegen te werpen. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat meergenoemde geloofwaardigheidsbeoordeling in overeenstemming is met het Unierecht. Voor zover eiser heeft willen stellen dat niet blijkt hoe de minister bij de beoordeling van voorwaarde c de geloofwaardigheid in zijn geheel heeft beoordeeld en welke invloed alle naar voren gebrachte feiten en omstandigheden daarbij hebben gehad en niet alleen heeft nagelaten om duidelijk te maken of en aan welke van de overige voorwaarden is wel voldaan, maar ook heeft nagelaten duidelijk te maken of er niet aan is voldaan, zodat sprake is van een motiveringsgebrek, deelt de rechtbank dit standpunt niet. Allereerst blijkt uit het bestreden besluit, waarin een individuele beoordeling is neergelegd, aan welke voorwaarden niet is voldaan. Het ligt voor de hand dat de voorwaarden waaraan wel is voldaan niet zijn tegengeworpen. De minister heeft dit ook uitdrukkelijk bevestigd. Benadrukt is ook dat de overige gegeven verklaringen zijn betrokken bij de beoordeling van de algehele geloofwaardigheid van het asielrelaas. In dat licht is een eis om nog een beoordeling van de vijf voorwaarden “onder de streep” naar het geheel van alle feiten en omstandigheden te maken niet zinvol. De minister heeft aan het einde van de beoordeling van stap 2b eisers verklaringen op de verschillende elementen kenbaar in onderlinge samenhang beoordeeld en gewogen en op die basis de conclusie getrokken dat deze relevante asielmotieven ongeloofwaardig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met deze werkwijze in eisers concrete geval wel een integrale beoordeling van het asielrelaas verricht.

AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data
Originele uitspraak

Recente uitspraken

ECLI:NL:RBDHA:2026:21621Laag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21621, Rechtbank Den Haag, 03-08-2026, NL26.40731

Rechtbank Den Haag3 aug 2026
5/100Bekijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:21399Laag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21399, Rechtbank Den Haag, 31-07-2026, NL26.6990

Rechtbank Den Haag31 jul 2026
5/100Bekijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:21408Laag

ECLI:NL:RBDHA:2026:21408, Rechtbank Den Haag, 31-07-2026, NL26.14192

Rechtbank Den Haag31 jul 2026
5/100Bekijk