ECLI:NL:HR:2026:1619, Hoge Raad, 06-10-2026, 24/02636
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Opzettelijk voorhanden hebben van grote hoeveelheid tabaksproducten (sigaretten en rooktabak) die niet overeenkomstig Wet op accijns in heffing zijn betrokken (meermalen gepleegd) door aanwezigheid van illegale sigarettenfabriek met onveraccijnsde tabaksproducten in loods achter zijn woning, art. 5 Wet op accijns. Bewijsklacht opzet en voorhanden hebben. Kon hof oordelen dat verdachte als pleger kan worden aangemerkt van “opzettelijk voorhanden hebben” van accijnsgoederen a.b.i. art. 5.1.b jo. 97 Wet op accijns? O.g.v. art. 97 jo. 5.1.b Wet op accijns kan degene worden bestraft die “opzettelijk” accijnsgoed dat niet overeenkomstig bepalingen van Wet op accijns in heffing is betrokken, “voorhanden heeft”. Op deze strafbaarstelling zijn gelet op art. 91 Sr ook bepalingen van dat wetboek over deelneming aan strafbare feiten van toepassing, zodat ook personen strafrechtelijk aansprakelijk kunnen zijn die op andere manier dan als pleger betrokken zijn bij overtreden van het in art. 5.1.b Wet op accijns opgenomen verbod. In art. 97 Wet op accijns bedoeld opzet moet allereerst zijn gericht op voorhanden hebben van accijnsgoed. Daarnaast moet dat opzet erop zijn gericht dat dit goed niet overeenkomstig bepalingen van Wet op accijns in heffing is betrokken. Onder dit opzet is ook voorwaardelijk opzet begrepen. Dat voorwaardelijk opzet is aanwezig als verdachte bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg (zoals hier: voorhanden hebben van een niet overeenkomstig wet in heffing betrokken accijnsgoed) zal intreden (vgl. HR:2003:AE9049 en HR:2018:718). Voor uitleg van “voorhanden hebben” in art. 5.1.b Wet op accijns is van belang dat tekst en totstandkomingsgeschiedenis van die wet geen aanwijzing bevatten dat daaraan andere betekenis moet worden toegekend dan aan “voorhanden hebben” in art. 2.1.b (omschrijving van belastbaar feit) en in 51.1.b (aanwijzing schuldenaren t.z.v. belastbaar feit) Wet op accijns. In HR:2022:659 en HR:2026:282 heeft HR uiteengezet dat in geval dat voor goederen accijns o.g.v. art. 2.1.b Wet op accijns is verschuldigd, art. 51.1.b Wet op accijns als belastingplichtige aanwijst zowel “persoon die accijnsgoederen voorhanden heeft” als “enig ander persoon die bij voorhanden hebben betrokken is” en dat met die bepaling uitvoering is gegeven aan wat art. 8.1.b Richtlijn 2008/118/EG (oud) voorschrijft. Art. 51.1.b Wet op accijns moet daarom overeenkomstig die richtlijnbepaling worden uitgelegd. HR heeft in HR:2022:659 verder overwogen dat “persoon die accijnsgoederen voorhanden heeft” a.b.i. art. 8.1.b Richtlijn 2008/118/EG (oud) in gewoon spraakgebruik ziet op persoon die deze goederen fysiek tot zijn beschikking heeft. Daarbij is niet relevant is of betreffende persoon een recht of enig belang kan doen gelden m.b.t. die goederen en ook niet of deze persoon weet of redelijkerwijs had behoren te weten dat voor die goederen accijns wordt verschuldigd. Hof heeft voor toepassing van art. 97 Wet op accijns tot uitgangspunt genomen dat als degene die “voorhanden heeft” a.b.i. art. 5.1.b Wet op accijns ook moet worden aangemerkt degene die “betrokken is bij voorhanden hebben” van accijnsgoederen die niet overeenkomstig bepalingen van Wet op accijns in heffing zijn betrokken. Daarbij heeft hof kennelijk aansluiting gezocht bij de in art. 51.1.b Wet op accijns aangewezen personen van wie accijns kan worden geheven t.z.v. belastbaar feit “voorhanden hebben”. Gelet op wat hiervoor is overwogen, getuigt dat oordeel van onjuiste rechtsopvatting omdat met “voorhanden hebben” in art. 5.1.b Wet op accijns hetzelfde is bedoeld als met “voorhanden hebben” in art. 2.1.b Wet op accijns en laatstbedoelde bepaling (ter uitvoering van art. 7.2.b Richtlijn 2008/118/EG) niet omvat “betrokken zijn bij voorhanden hebben”. Met art. 97 Wet op accijns wordt dus niet strafbaar gesteld “betrokken zijn bij voorhanden hebben” van accijnsgoederen die niet overeenkomstig Wet op accijns in heffing zijn betrokken. Dat leidt echter niet tot cassatie, nu hof heeft vastgesteld dat (i) in loods een illegale productielijn voor sigaretten is aangetroffen met onveraccijnsde tabaksproducten die niet waren voorzien van accijnszegels, waaronder 1.692.500 sigaretten en 1.680 kilogram rooktabak, (ii) verdachte economisch eigenaar is van deze loods, die zich bevindt direct achter zijn woonhuis, (iii) verdachte deze loods niet heeft verhuurd, en (iv) verdachte toegang had tot alle ruimten van loods en ook in loods is geweest. Deze vaststellingen (in samenhang met de in cassatie niet bestreden veroordeling van verdachte voor medeplichtigheid aan vervaardigen van accijnsgoederen (tabaksproducten) buiten accijnsgoederenplaats door ruimte in loods ter beschikking te stellen waar dat vervaardigen plaatsvond) dragen bewezenverklaring v.zv. die inhoudt dat verdachte op dag waarop niet in heffing betrokken tabaksproducten in betreffende ruimte van loods zijn ontdekt, die tabaksproducten fysiek tot zijn beschikking en zodoende voorhanden heeft gehad a.b.i. art. 5.1.b Wet op accijns. Ook heeft hof daaruit kunnen afleiden dat verdachte “minstgenomen bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard om onveraccijnsde tabaksproducten voorhanden te hebben”, en dat verdachte dus in art. 5.1.b Wet op accijns opgenomen verbod opzettelijk a.b.i. art. 97 Wet op accijns heeft overtreden. Volgt verwerping. CAG: anders.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.