ECLI:NL:HR:2026:1526, Hoge Raad, 22-09-2026, 25/01002
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. diefstal uit woning, art. 311.1.3 Sr. Aanwezigheidsrecht, art. 36g.1.c Sv. Moet bij eerste politieverhoor door verdachte (Poolse nationaliteit) opgegeven adres worden aangemerkt als adresopgave a.b.i. art. 36g.1.a Sv, zodat afschrift van dagvaarding in hoger beroep naar dat adres had moeten worden verzonden? Vermelding van adres A in p-v van eerste verhoor van verdachte door politie kan niet anders worden begrepen dan als opgave van adres a.b.i. art. 36g.1.a Sv waaraan mededelingen over strafzaak kunnen worden toegezonden. Enkele omstandigheid dat verhorende verbalisanten (zoals blijkt uit p-v van verhoor) twijfelden over juistheid van deze adresopgave, brengt niet mee dat er geen sprake is van zo’n adresopgave door verdachte a.b.i. art. 36g.1.a Sv. Ook kan uit omstandigheid dat i.h.k.v. betekening van dagvaarding in h.b. bekend is geworden dat na adresopgave in eerste politieverhoor van verdachte, in informatiestaat SKDB-persoon een ander adres is geregistreerd als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats (adres B), niet worden afgeleid dat verdachte uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven adres A niet te willen handhaven. Uit stukken kan niet blijken dat afschrift van dagvaarding in h.b. aan adres A is gezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is gebeurd. Evenmin houden stukken iets in waaruit kan volgen dat die verzending o.g.v. art. 36g.3 Sv achterwege kon blijven. Daarom had hof ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was onderzoek ttz. te schorsen om verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij onderzoek ttz. aanwezig te zijn. Van zo’n onderzoek blijkt niet (vgl. HR:2012:BX4736). Volgt vernietiging en terugwijzing.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.