ECLI:NL:HR:2026:1489, Hoge Raad, 22-09-2026, 24/04112
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Rijden terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs zijn geldigheid heeft verloren, art. 9.2 (tweede volzin) WVW 1994. Bewijsklacht vereiste dat geen ander rijbewijs is afgegeven. Kan uit de door hof gebruikte bewijsmiddelen volgen dat aan verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven, nadat op zijn naam gesteld rijbewijs zijn geldigheid heeft verloren? Voor bewezenverklaring van delict omschreven in art. 9.2 (eerste volzin) WVW 1994 moet uit bewijsvoering o.m. blijken dat na ongeldigverklaring van rijbewijs aan verdachte geen ander rijbewijs is afgegeven. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren aan de hand van gegevens uit rijbewijsregister, waaruit blijkt dat geen geldig rijbewijs van kracht was tijdens besturen door verdachte (vgl. HR:2019:1146). Dit geldt ook voor bewezenverklaring van delict omschreven in art. 9.2 (tweede volzin) WVW 1994. Hof heeft bewezenverklaard dat aan verdachte “geen ander rijbewijs voor besturen van motorrijtuig van betrokken categorie of categorieën was afgegeven”. Dit onderdeel van bewezenverklaring kan echter niet worden afgeleid uit b.m. Bewezenverklaring is daarom ontoereikend gemotiveerd. Volgt vernietiging en terugwijzing.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.