ECLI:NL:HR:2026:1477, Hoge Raad, 15-09-2026, 24/01712
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)OM-cassatie. Vrijspraak t.z.v. financieren van terrorisme (art. 421.1.a Sr) en opzettelijk overmaken van geldbedragen aan tussenpersoon t.b.v. zijn naar Syrië uitgereisde dochter, meermalen gepleegd (art. 2 Sanctiewet 1977). 1. Vrijspraak financieren van terrorisme t.a.v. opzet a.b.i. art. 421.1.a Sr. 2. Vrijspraak overmaken van geldbedragen t.a.v. opzet a.b.i. art. 2.1 WED jo. 2 Sanctiewet 1977. Ad 1. Voor vervullen van delictsomschrijving van art. 421 Sr is o.m. vereist dat opzet van verdachte gericht is op het (door verrichten van de in art. 421.1.a Sr genoemde gedragingen) verlenen van geldelijke steun aan plegen van een van de in dat art. genoemde misdrijven, zonder dat vast hoeft te staan om welk misdrijf het exact gaat. Onder dit opzet is mede gelet op wetsgeschiedenis van art. 421 Sr ook voorwaardelijk opzet begrepen, oftewel bewust door verdachte aanvaarden van aanmerkelijke kans dat zijn handelen dient om geldelijke steun te verlenen aan misdrijf genoemd in art. 421 Sr. Hof heeft vastgesteld dat verdachte van 9-7-2014 t/m 12-4-2017 samen met zijn echtgenote en dochter in totaal € 4.550 heeft overgemaakt aan tussenpersonen in Turkije en Libanon, die vervolgens geldbedragen aan de naar Syrië uitgereisde dochter van verdachte en haar man hebben doen toekomen. Verdachte heeft verklaard dat hij geld overmaakte voor levensonderhoud van zijn dochter en om haar te helpen weg te komen uit strijdgebied in Syrië. Hof is bij beantwoording van vraag of verdachte opzettelijk heeft gehandeld uitgegaan van toetsingskader dat hiervoor is weergegeven. Hof heeft vervolgens geoordeeld dat verdachte moet worden vrijgesproken van tlgd., omdat tlgd. opzet niet bewezen kan worden verklaard. Hof heeft bij dat oordeel o.m. betrokken dat niet is gebleken “dat verdachte om andere redenen geld heeft overgemaakt dan ter bestrijding van kosten van levensonderhoud van zijn dochter of om zijn dochter in staat te stellen om terug te kunnen keren.” In ‘s hofs overwegingen ligt verder besloten dat niet is komen vast te staan dat verdachte bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen diende om geldelijke steun te verlenen aan misdrijf genoemd in art. 421 Sr. Tegen achtergrond van hiervoor weergegeven juridisch kader getuigen die oordelen niet van onjuiste rechtsopvatting en zijn oordelen ook, verweven als deze zijn met waarderingen van feitelijke aard, niet onbegrijpelijk. Ad 2. Voor veroordeling voor opzettelijke overtreding van art. 2 Sanctiewet 1977 is niet vereist dat opzet van verdachte was gericht op niet naleven van de in tll. bedoelde wettelijke regelingen. In geval als dit, waarin het gaat om ter bestrijding van terrorisme genomen sanctiemaatregelen tegen op openbaar gemaakte sanctielijst geplaatste organisaties of personen, geldt dat bewezen moet worden dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op direct of indirect ter beschikking stellen van tegoeden en/of economische middelen aan de in tll. nader geconcretiseerde personen of organisaties. Daarbij doet voor bewijsvraag niet ter zake of verdachte wist dat dit terroristische organisaties en/of personen die betrokken zijn bij terroristische organisaties, betroffen (vgl. HR:2023:2). Ook is i.v.m. bewijsvraag niet vereist dat verdachte wist of bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat in tll. genoemde personen of organisatie(s) vermeld stonden op de in tll. genoemde (sanctie)lijsten en/of -regelingen. Hof heeft vastgesteld dat verdachte via tussenpersonen geld heeft verstuurd dat bedoeld was voor zijn dochter en dat hij wist dat zijn dochter was getrouwd met A. Hof heeft verdachte echter vrijgesproken van tlgd. opzet en daarbij in de kern aan zijn oordeel ten grondslag gelegd dat er geen bewijsmiddel is “op grond waarvan overtuigend kan worden vastgesteld dat verdachte wist dat zijn dochter en/of haar echtgenoot zich bij terroristische organisatie had(den) aangesloten en dat overgemaakte geldbedragen dienden t.b.v. terroristische misdrijven”. ’s Hofs kennelijke opvatting dat voor bewezenverklaring vereist is dat verdachte wist of bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit terroristische organisaties en/of personen betrof, is onjuist. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. CAG anders t.a.v. opzet a.b.i. art. 421.1.a Sr.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.