ECLI:NL:HR:2026:1475, Hoge Raad, 15-09-2026, 25/01641
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Twee verkrachtingen (art. 242 (oud) Sr) en poging tot aanranding van minderjarige meisjes in kelderboxen in Schiedam in 2010 (art. 246 (oud) Sr). Vrijspraak in eerste aanleg t.z.v. poging tot aanranding. Bewijsklachten poging tot aanranding. 1. Schakelbewijs (modus operandi als steunbewijs) en bewijsminimum, art. 342.2 Sv (unus testis). Vindt verklaring van aangeefster voldoende steun in ander bewijsmateriaal? 2. Bewijsklacht poging, begin van uitvoering a.b.i. art. 45.1 Sr. Kan uit bewijsvoering begin van uitvoering van aanranding worden afgeleid? Ad 1 en 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Hof heeft gedetailleerd en gemotiveerd uiteengezet waarom verklaring van aangeefster in hoge mate overeenkomt met wat slachtoffers in andere zaken hebben verklaard. Die motivering laat aan duidelijkheid niets te wensen over, ook niet als het gaat om vraag wat er in dit geval telkens zo specifiek was aan werkwijze van dader. Hof heeft vervolgens geoordeeld dat omstandigheid dat elk van slachtoffers spreekt over een op essentiële onderdelen identieke situatie, maakt dat deze verklaringen de verklaring van aangeefster (ook) in bewijstechnische zin (als steunbewijs) ondersteunen. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 2. Tegen achtergrond van werkwijze van verdachte in andere zaken is oordeel hof dat gedragingen van verdachte naar uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op voltooiing van het door verdachte voorgenomen misdrijf van (ten minste) aanranding, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.