ECLI:NL:HR:2026:1473, Hoge Raad, 15-09-2026, 24/01817
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Medeplegen opzetheling (meermalen gepleegd), art. 416.1.a Sr. Post-Keskin. Afwijzing van een ttz. in hoger beroep bij pleidooi gedaan voorwaardelijk verzoek tot horen van verbalisanten, op de grond dat sprake is van misbruik van procesrecht, nu sprake is van inactiviteit van verdediging en verzoek uitsluitend is bedoeld om hof te dwingen tot beslissing die voor verdachte gunstig is. Zijn afwijzing van verzoek tot horen van verbalisanten en gebruik van hun p-v van bevindingen voor bewijs verenigbaar met het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2025:1519 m.b.t. vraag welke betekenis toekomt aan omstandigheid dat in eerste aanleg of in h.b. pas bij inhoudelijke behandeling van zaak ttz. door verdediging wordt verzocht om bepaalde persoon als getuige te horen, terwijl verdediging al in eerder stadium van procedure bij betreffende instantie de mogelijkheid heeft gehad om zo’n verzoek te doen. In dat arrest heeft HR ook geval besproken, waarin verdediging eerder bij betreffende instantie uitdrukkelijk is gevraagd of zij onderzoekswensen heeft (waaronder wens getuigen te horen), waarbij er op dat moment duidelijk op is gewezen dat niet opgeven van onderzoekswensen wordt opgevat als niet hebben van zulke wensen, en op die vraag door verdediging niet is gereageerd. Hof heeft bij pleidooi gedaan verzoek van verdediging tot horen van verbalisanten als getuige afgewezen, omdat sprake is van misbruik van procesrecht. Daartoe heeft hof overwogen dat verdediging geen gebruik heeft gemaakt van eerdere gelegenheden om dit verzoek te doen, dat verdediging niet heeft gereageerd op brief van hof waarin haar is verzocht eventuele onderzoekswensen kenbaar te maken en dat verdediging op vraag waarom verzoek pas bij pleidooi is gedaan daarvoor geen navolgbare reden heeft gegeven, zodat hof moet vaststellen dat verzoek uitsluitend is bedoeld om hof te dwingen tot beslissing die voor verdachte gunstig is. Vervolgens heeft hof het p-v van bevindingen van deze verbalisanten voor bewijs gebruikt. ’s Hofs arrest is gewezen vóór 14-10-2025 zodat verdediging met inhoud van HR:2025:1519 nog niet bekend kon zijn en daarop haar handelen ook niet heeft kunnen afstemmen. Uit ‘s hofs vaststellingen kan ook niet volgen dat het de verdediging op andere manier duidelijk was dat aan onbenut laten van eerdere gelegenheden om getuigenverzoeken te doen en aan niet reageren op brief van verkeerstoren hof, consequenties zouden kunnen worden verbonden voor beoordeling van later alsnog gedaan getuigenverzoek. Brief van verkeerstoren hof houdt over mogelijkheid van zulke consequenties voor beoordeling van later alsnog gedaan verzoek niets in. Tegen deze achtergrond is ’s hofs oordeel dat verzoek tot horen als getuige van verbalisanten moet worden afgewezen, niet begrijpelijk. Ook omstandigheid dat hof de bewezenverklaring heeft aangenomen mede o.g.v. inhoud van het door verdachte betwiste p-v van bevindingen van verbalisanten, zonder dat verdediging hen als getuige heeft kunnen ondervragen, terwijl hof niet ervan blijk heeft gegeven te hebben nagegaan of procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces, is niet begrijpelijk (vgl. HR:2021:576). Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. CAG: anders.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.