ECLI:NL:HR:2026:1425, Hoge Raad, 08-09-2026, 25/00548
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Rijden terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat rijbewijs ongeldig was verklaard, art. 9.2 WVW 1994. Bewijsklacht wetenschapsvereiste. Kan uit omstandigheden dat besluit van CBR tot ongeldigverklaring aangetekend is verstuurd naar adres van verdachte, dat verdachte geen fysiek rijbewijs heeft kunnen overhandigen, dat CVOM een brief over zijn rijbewijs aan verdachte heeft gericht en dat CBR zijn rijbewijs heeft ontvangen van CVOM, worden afgeleid dat verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:1146 m.b.t. wetenschapsvereiste om tot bewezenverklaring van een op art. 9.2 WVW 1994 toegesneden tll. te kunnen komen. Voorts verduidelijkt HR daarin dat koppeling moet kunnen worden gemaakt tussen bekendmaking van bericht over ongeldigheid van rijbewijs en inleveren van rijbewijs door daaraan toe te voegen dat ongeldig verklaard rijbewijs moet worden ingeleverd bij degene die rijbewijs ongeldig heeft verklaard (vgl. art. 124.4 WVW 1994, in geval dat ongeldigverklaring heeft plaatsgevonden ex art. 124.1 en 124.2 WVW 1994) dan wel bij CBR (vgl. art. 132.5 WVW 1994, in geval dat CBR het rijbewijs o.g.v. art. 132.2 WVW 1994 ongeldig heeft verklaard). Verdediging heeft aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken omdat niet kan worden bewezen dat hij “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Hof heeft dat verweer verworpen omdat (i) besluit van CBR tot ongeldigverklaring aangetekend is verstuurd naar adres van verdachte, (ii) verdachte geen fysiek rijbewijs heeft kunnen overhandigen, (iii) verdachte een brief van CVOM heeft ontvangen waarin o.m. staat dat hij geen motorrijtuig mag besturen waarvoor rijbewijs is vereist en dat zijn rijbewijs naar CBR is gestuurd en (iv) CBR het rijbewijs van verdachte heeft ontvangen van CVOM. Deze verwerping van verweer is niet z.m. begrijpelijk. Uit omstandigheid dat besluit van CBR tot ongeldigverklaring van rijbewijs van verdachte per aangetekende brief is verzonden naar adres van verdachte en dat CVOM een brief over zijn rijbewijs aan verdachte heeft gericht, kan (gelet op wat hiervoor is vooropgesteld) niet worden afgeleid dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Uit bewijsmiddelen waarnaar hof verwijst, volgt immers niet dat deze brieven daadwerkelijk door verdachte in ontvangst zijn genomen, of dat verdachte anderszins van inhoud daarvan kennis heeft gekregen. Die gevolgtrekking kan daaraan ook niet worden verbonden in samenhang met wat hof in bewijsvoering voor het overige in aanmerking heeft genomen. Zo heeft hof geen nadere vaststellingen gedaan over reden waarom verdachte zijn rijbewijs niet heeft kunnen overhandigen. Ook kan uit enkele ontvangst door CBR van het door CVOM toegestuurde rijbewijs van verdachte niet worden afgeleid dat verdachte “wist of redelijkerwijs moest weten” dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard (vgl. HR:2021:786). Volgt vernietiging en terugwijzing.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.