ECLI:NL:HR:2026:1406, Hoge Raad, 01-09-2026, 24/02165
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Witwassen van geldbedrag (€ 12.950), art. 420bis.1.b Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht “afkomstig uit enig misdrijf”. Kon hof oordelen dat verklaring van verdachte over herkomst van geldbedrag op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: ’s Hofs mede op zijn vaststellingen in nadere bewijsoverwegingen gebaseerde oordeel dat door verdachte in hoger beroep afgelegde verklaring hoogst onwaarschijnlijk is, is niet onbegrijpelijk. Dat verdachte deze verklaring net als in eerste aanleg heeft onderbouwd met schriftelijke en ondertekende verklaring van ander en dat hij zijn neef ttz. in h.b. als getuige heeft meegebracht, waar deze een gelijkluidende verklaring heeft afgelegd, maakt dat niet anders. Opvatting dat door HR aan verklaring van verdachte gestelde eisen als communicerende vaten fungeren (in die zin dat hoe concreter en verifieerbaarder die verklaring is, hoe minder snel deze als “op voorhand hoogst onwaarschijnlijk” kan worden aangemerkt) vindt geen steun in recht. Bovendien heeft hof niet onbegrijpelijk geoordeeld dat het geen geloof hecht aan verklaringen van ander en van neef van verdachte. Volgt verwerping.
AI-analyse is nog niet beschikbaar voor deze uitspraak.